Het nuttige(n) van techniekers

2009 december 30

Als het over zaken als nutsvoorzieningen en warm water gaat, kan ik wat aan de labiele kant zijn. Ik ben over het algemeen nogal content met wat er via kabels en buizen het huis inkomt en uitgaat. Normaal gezien werkt alles en hoef je er niet bij na te denken. Het is pas als er dingen het niet meer doen dat de afhankelijkheid zich op verschillende vlakken manifesteert. Ik kan daar niet tegen. Ik wil altijd een bom gooien op de betrokken firma. Ik wil gaan betogen, ombudsmannen lastig vallen, brieven schrijven naar humo, enz. En als ze het enigszins vriendelijk en snel kunnen oplossen draai ik met de wind. Dan wil ik techniekers kussen en telefonisten terugbellen om een lied van dankbaarheid te zingen. Gelukkig doe ik al die dingen net niet…
Het is gewoon de machteloosheid die me zo uit evenwicht brengt. Ten eerste is er het wegvallen van de toevoer. Water, elektriciteit, internet of warmte bijvoorbeeld. Teruggeworpen worden op een waterloos bestaan, dat zet aan tot denken, of je nu wil of niet. Elektriciteitsloos de dag doorkomen is confronterender dan ik wil. Ten tweede, het ander aspect van de afhankelijkheid, is de goodwill van de leverende of in gebreke blijvende dienst. Zij maken uit wanneer ze een technieker sturen en of die tussen 8u en 17u gaat komen of misschien wel helemaal niet. (Ik hoor steeds vaker van firma’s die zeggen dat ze iemand zullen sturen en dan komt er een hele dag niemand. Neem daar maar eens verlof voor!). En het niet weten wat er scheelt maakt me ook kwaad. Ik voel me dan zo’n kneusje.

De boiler was al enkele weken als een wild paard op hol. Geen verbinding met de thermostaat. In volle galop bleef hij maar gaan. Het leek de duivel wel. Grenzeloos stookte hij alsof hij van ons huis zijn nieuwe hel wilde maken. De eerste nacht haalden we 35°. Buiten was het 2°.
Vaillant stuurde verschillende techniekers. De eerste was het grappigst.
Ik: – ‘t is vreemd dat het kapot is. Vorige maand is er nog iemand van jullie een onderhoud komen doen hier.
Hij: – Nee.
Ik: – Jawel hoor. Er is nog iemand hier geweest in oktober.
Hij: – Nee. Niet van ons.
Ik: – Jawel, van Vaillant.
Hij: – Onmogelijk.
Ik: – Maar meneer, jullie zijn hier voor een jaarlijks onderhoud geweest.
Hij: – Ik denk het niet, madam.
Ik: – Vraag het maar na.
Hij: – Dat zal ik doen.
Na veel vijven en zessen gaf hij ons gelijk. Het bleek over verschillende namen op eenzelfde adres te gaan.

Even later:
Hij: – Volgens mij past die thermostaat niet op die boiler.
Ik: – Jawel hoor. Het werkt al jaren.
Hij: – Volgens mij past het niet.
Ik: – Vorige week werkte het nochtans. Het zou straf zijn als het dan niet zou passen.
Hij: – Ik zal eens bellen met de centrale…
Hij belde wijdbeens met zijn centrale waar ze bevestigden dat het wel een compatibel systeem was.Die techniekers zijn niet altijd de meest sociaal aangepast mensen…

Wat minder grappig was, was dat hij na twintig minuten vertrok met de boodschap dat onze installateur moest komen om dit en dat en zus te vervangen. Een week later heeft de installateur drie uur door ons huis gekropen, zoekend naar mogelijke problemen en zowat al het vervangbare vervangen. Maar niets hielp. Vaillant is nog twee keer teruggekomen. Eentje kwam gisteren en die loste het zo goed op, dat we helemaal zonder verwarming zaten. Ik heb een hele nacht wakker gelegen, omdat ik niet kon uitmaken of ik de betrokken techniekers levend zou villen of in kokende olie zou gooien. Ze stuurden gelukkig vanochtend een hoogstvriendelijke man die alles oploste en afstofte. Ik wilde bijna taart halen voor hem, maar hij moest nog andere mensen gaan redden…

De mensen in het huis op de foto hieronder hebben voldoende toevoer van allerlei, volgens mij. Hoe zou die kamer op het gelijkvloers er in hemelsnaam uitzien?

Ik zag op Wintervuur op ‘t linkeroever deze geniale uitvinding. Die had ik gisterenavond wel als bureaustoeltje gewild! Het werkte nog goed ook. Ze stookten een vuurtje in een ton en lieten dan zo het water in de verwarmingselementen lekker warm worden.

Rozig

2009 december 28

Het was een dag van rozig licht, hoewel dat op het eerste zicht niet zo opviel. Tadeusz zag het, toen hij door het raam naar het water keek. Een uniek zicht. Het was een fijn bezoek bij lieve vrienden met lage ramen en thee. Wie ziet er waar lieve vrienden wonen?

Alternatieve kerstgedachte

2009 december 26

Met Kerst brengen we massaal het bos naar binnen. Allemaal een huisboom. Voor eventjes. Al die sparretjes in shock door de plotse warmte. Al hun haren vallen er van uit… Naalden, bedoel ik. We maken er een soort appelboom van. Met glimdingen in. En slingers. We omringen ze met felgekleurd papier en strikjes. Maar dat is niet voor de boom. Nee, de cadeautjes, die zijn voor onszelf.
We halen een stervend wezen in huis en we kijken ernaar, vol zelfgenoegzaamheid. Want wat kunnen we dit leed toch mooi in engelenhaar verhullen…
En dan, na een week of twee, smijten we die huisboom gewoon op straat. Een afdankboom. En dat in deze tijden van ecologische verontrusting.

Je kan kerstbomen adopteren tegenwoordig. Je kan ze met een kluitje kopen. Je kan ikeabomen achteraf bij ikea laten recycleren. Dan wordt je boom misschien wel een krant waar ze ecologisch verontrustend nieuws op drukken.

Ik ging er ooit eentje terugplanten, zo’n wortelboompje. Ik wist alleen niet goed waar. Maar waar vond ik geschikte zurige kerstboomgrond? Waar was het aangenaam vertoeven voor een gemarteld boompje? Ik plantte hem uiteindelijk ergens aan de rand van een bosje, ten Noorden van Antwerpen. Er was geen enkel sparretje in de omtrek te bespeuren. Ik vermoedde toen al dat het mis zou lopen. Zo zonder vriendjes, een eenzaam allochtoontje in een ongeschikt klimaat. Gedurende anderhalf jaar ging ik iedere drie maanden kijken. Het ging er niet goed mee. Hij werd maar rosser en rosser. Ik gaf hem op warme dagen soms wat water. Het baatte niet echt. Maar ook in de winter, toen ik hoopte dat de frisse lucht hem deugd zou doen, kwijnde hij steeds meer weg. Mijn geweten werd zwaarder en zwaarder. En een nieuwe verhuis durfde ik hem niet aan te doen. Ik ben op een gegeven moment gestopt met te gaan kijken. Ik kon er niet meer tegen.

Dit jaar heb ik voor het eerst een kerstboom gezet bij me thuis. Ik had er niet zo bij nagedacht en het leek me prettig dat zoonlief kennis kon maken met dit lichtfeestje en de vreemde bijhorende kersttradities. Het is een spar met worteltjes geworden. Maar echt gelukkig is ie niet. En hoewel ik vond dat ie er mooi uitzag in ‘t begin, begint mijn geweten weer te knagen. Ik vind ‘m nu vooral een beetje zielig. Ik begin nu al uit te kijken naar een lapje grond in de buurt waar potentiële vriendjes staan. En misschien volgend jaar toch maar een plastieken alternatief zoeken…
Of een versimpeling van het concept. Zoals ik gisteren zag op een vergadering. Maar dat kwam me wat droevig over…
Dan nog liever gewoon een vrolijk gezicht voor het raam:

Ik kreeg overigens wel het beste cadeau van allemaal.

En Tadeusz, die kreeg een paraplu…

Dwarrelgedachte

2009 december 24

Sneeuw. Sneeuw is dwarrel wit dat zich nestelt in herinnering en daar eeuwig mooi wil zijn. Maar in ‘t echt is sneeuw niet altijd zo fijnvlokkig. Sneeuw wordt drab en bruin, en wat voordien zo aantrekkelijk leek is al snel een veel te dik tapijt van halfvast lelijk water. Dat soms nog glad is bovendien.
Sneeuw in zijn puurste jonge vorm is het leukst natuurlijk. Een vers pakket van opeengestapelde vlokken dat krakend praat met de schoenen aan je voeten. Lekker samenduwbare watten en zelfs niet echt koud. Sneeuw kan heerlijk zijn.

In de afgelopen dagen vond ik het fijn om naar buiten te kijken. Die dikke deken in de tuin. Het jasje voor de bomen. Ook weer fijn die voetstap in de maagdelijke vlakte. De eerste mens op de maan. Het duurde deze keer lang voor de sneeuw zijn frisheid verloor bij mij in de straat. Hij bleef lang jeugdherinneringwit en vers.
Maar zelfs dan is sneeuw niet meer zo mooi als vroeger. Toen was er de sneeuwman en de slee. Nu is er naast de sneeuwman ook werk en gladde autostrades. En uiteindelijk is er altijd drab. Veel drab. Veel meer dan vroeger. Dat kan niet anders. Het moet wel.

Ik hield, na die eerste hemelse lading, zoontje Tadeusz (21 maanden) nauwlettend in het oog om te zien of zijn eerste sneeuwervaring net zoveel jeugdherinneringskracht zou hebben als ik hoopte. Maar hij stond altijd maar wat dwaas in de witte vacht. Hij was slechts met moeite tot wat stapjes en vrolijkheid te brengen. Hij vond het wel ‘moooi’. Maar vooral vanachter glas. Het zal nog even duren voordat hij dol wordt van de vlokken en zich dartel in een sneeuwberg werpt. Of projecteer ik dan mijn melancholische sneeuwherinnering op hem?

In het park zag ik een eigentijdse ’sneeuwman’. Hij staarde me wat vreemd aan. Ik vroeg me af of het ook voor hem een eerste sneeuwervaring was. En of hij dwarrelgedachtes had in deze blanke nacht.

(Ik had me voorgenomen om niets over de sneeuw te schrijven wegens te voor de hand liggend. Maar ik had er vandaag toch zin in…)

Gewonnen

2009 december 21

Ik heb iets gewonnen. Een camera. Een tijdje geleden deed ik mee met een wedstrijdje van Sony om hun nieuwe cybershot DSC-HX1 te testen. Het ging ‘m vooral over de panoramafunctie. Ze lieten een camera of vier naar verschillende fotografen reizen en die mochten er dan mee spelen. We moesten een zo creatief mogelijke inzending binnensturen. Zonder adaptaties in fotobewerkingsprogramma’s. Mijn panorama van een dronken grote markt in Antwerpen kon de jury het meest bekoren.
Ik ontving mijn prijsje vandaag. Het was weliswaar geen nieuwe DSC-HX1; het was een rondgereisd exemplaar. Ik hoop maar dat al die andere bloggertjes er goed mee omgesprongen zijn. Ik ben er wel erg blij mee.

Ik win overigens erg weinig. Eigenlijk bijna nooit. Zeker met kansspelen. En dat is maar goed ook. Ik ben er namelijk van overtuigd dat ‘de lotto winnen’ een van de grootste misvattingen van deze tijd/samenleving is. De lotto winnen, dat is volgens mij miserie met een strikje rond. Stront in een pralinendoos. Er zijn niet voor niets zelfhulpgroepen voor mensen die meer dan een miljoen (oude belgische franken) winnen (naar ‘t schijnt).
De lotto. Iedereen denkt er al aan wat ie allemaal kopen kan. Alsof dat hetgeen is wat dat geld kan doen; dingen kopen. Hebbe-hebbe-hebbe. Maar als je veel geld wint – miljoenen – dan verlies je meer dan je wint.
Om te beginnen is daar de angst: aan wie zeg ik het? Zeg ik het morgen al op het werk? Bel ik nu naar mijn familie? Staan ze hier dan niet allemaal aan de deur? De vrienden?
Als je denkt: ‘Ik zeg het gewoon tegen niemand’, vergeet dat maar. Je lief, je moeder, je dochter; je slaapt een hele nacht niet. Verklaar op ‘t werk maar eens waarom je er als een onuitgeslapen springboon uitziet. Je zegt het heus wel tegen iemand. Of toch een zwijgertje? En hoe lang ben je van plan dat vol te houden? Tot je het geld hebt? Of nadien ook nog doen alsof je problemen hebt om de mazout te betalen? Stiekem rijk zijn, daar is geen lol aan. Bij alle uitgaven een uitleg zoeken? (Die jaguar? Die was aan halve prijs!) Of je gouden ipod niet mee de straat opnemen? Ok. Dan maar in de openbaarheid. Kan je tenminste die schoenen van tweeduizend euro dragen. Als het niet regent.
Plots veranderen de blikken van de mensen, je meent er iets hebberigs in te zien. Opmerkingen over goede doelen (je weet toch dat 1 euro al een vaccin is waarmee je een kinderleven redt), wijze raad (ik zou zéker beleggen in bruiswater), gewetenskwesties (hoezo je hebt je tante met kanker niks gegeven?), persoonlijke strijd (ik had van u echt verwacht dat ge mij zou helpen met mijn borstvergroting).
Vriendschappen komen onder druk te staan. De verschillen worden zo groot. Vrienden moeten krabben om rond te komen. Ze kunnen niet mee naar de sjieke restaurants. En altijd naar ‘t frituur is ook zo triest als je miljoenen hebt. Subiet zeggen ze nog dat je gierig bent.
Is trakteren de oplossing? Het wordt al gauw een vreemde verhouding. Vrienden die altijd dankbaar moeten zijn. En het wordt zo snel een vanzelfsprekendheid. Misschien wat geld uitdelen? Maar aan wie dan precies? Je hebt opeens zoveel vrienden. En wat kunnen ze toch goed gatlikken. Of ben je echt ineens veel grappiger? Misschien moet je maar gewoon van vriendenkring veranderen. Een beetje drastisch, maar het lost wel vanalles op. Niet?
In een mum van tijd ben je alleen met je nieuwe vrienden in je nieuwe huis en je nieuwe auto in de nieuwe garage. Die blitse designzetel zit toch niet zo comfortabel als je oude versleten sofa. En je mist het kapotte zooltje van je oude sloefen om aan te fruniken terwijl je een gehuurde film zag. En de banken sturen nu geen lokbrieven meer, maar bellen je gewoon ’s morgensvroeg uit je bed. Een belegginkje hier of daar, je kan nog rijker worden! En verzekeren. Je moet alles ook nog eens verzekeren…

Mensen die winnen verliezen vooral hun oude leven. ‘Blijven werken’ is een motto van velen. Maar waarom zou je die ambetante baas tolereren of je uitsloven, voor die paar overbodige euro’s? Alles wordt anders als je wint.
Mensen die in rijkdom groeien die hebben een aanpassingstijd. Als je langzaam rijker wordt dan groeit je leven mee. Maar mensen die pardoes in de rijkdom vallen, zien vaak hun droom in nachtmerrie veranderen. Denk ik.
En je hebt ongetwijfeld mensen met een talent om rijk te zijn. Maar wie weet dat op voorhand?

Ik speel nooit met de lotto mee. Lief lief Sventikov wel. Zo af en toe eens. Een keer of vijf per jaar. Ik kon hem al overtuigen om niet meer met euromillions mee te spelen. Dat is gewoon té veel geld. De nationale loterij is al heftig genoeg. En als we dan toch meespelen, wil ik maar een klein beetje winnen. Dat is leuk. Maximaal een paar duizend eurootjes. Iets waar je geen huis van koopt. Soms ben ik echt een beetje bang: stel dat we winnen. Wat een macht hebben die stomme balletjes. Ze gooien mijn leven misschien helemaal overhoop. Ze gooien iedere week een paar levens overhoop. Ik vind lotto griezelig.
Ik weet nog van die familie die in hun auto woonde. Stond een paar jaar geleden in de krant. Door te winnen waren ze op termijn alles kwijt gespeeld. Een heel gezin in een auto. Armoe. Geld betekent soms armoe.

Maar ik ben heel blij met mijn gewonnen camera. Ik heb er iets voor gedaan en hij is leuk. En ik kan hem aan. Ik zal er niet dakloos van worden.

Trammadam

2009 december 19
door ysabje


Had ik maar meer lef. Ik zou zoveel mensen fotograferen. Maar ik durf bijna nooit…

Parijs – de wereld in een weekend

2009 december 16

Ik was nooit eerder in Parijs geweest. Iedere keer als mensen heel verontwaardigd deden over mijn nog-nooit-in-parijs-geweestigheid wilde ik contrair gaan doen en zeggen dat ik er al niet meer naartoe wilde. Ik ben zo iemand die nogal makkelijk in weerstand gaat bij het woordje ‘moeten’. Maar op een gegeven moment raken de smoezen op en mijn fantastisch lief wilde zo graag. En dan smelt alle weerstand onmiddellijk weg en blijk ik zelf eigenlijk ook wel graag naar Parijs te willen…
Ik vond het natuurlijk heerlijk.
Kind een paar dagen bij de bomma gedropt, treintje op, hotelletje in. Sventikov heeft een intern kompas dus ik hoef me zelden bezig te houden met de weg, en kan als een klein kind rondkijken en dwalen door steden. Wat blijft bij:

- De daklozen. Ik ben echt geen wereldvreemd kuiken, maakte toch ‘t een en ‘t ander mee, werk toch al eventjes in de hulpverlening, dus je zou denken dat ik wel tegen een paar dakloosjes bestand ben. Maar toch raakte het me. Ik heb het dan niet over de commerciële daklozen die zich dramatisch op de grond gooien of met hun blote voeten in plassen gaan staan. Nee.
Ik zag een vrouw in de metro (station Les Grandes Boulevards) op een bankje zitten. Ze had een echt glaasje (van glas dus) drinken naast zich en ze had een zakje met een miniscuul stukje platgetrapte croissant. Ze ging helemaal op in haar avondmaal. Drie kruimels en een nip van het glas. En toen stak ze alles weer zorgvuldig weg. Ze leek gelukkig in haar kortstondig moment van een herinnerde maaltijd uit een andere tijd.
Een man die in het midden van het voetpad sliep. Omdat daar een metrorooster was. Waarschijnlijk zorgvuldig uitgezocht. Hij was er altijd. Je kan hem waarschijnlijk zelfs een brief schrijven, zo honkvast leek hij.
De blote voeten die vanonder het karton steken. Nul graden.

- De Eiffeltoren blijft bij. Ik wist wel hoe ie eruit zag, maar ik wist niet dat ie zo’n hartenbreker was. Het is zoals met foto’s van bekenden. Je denkt te weten hoe ze zijn en hoe ze eruit zien, maar echt charisma dat merk je pas als je er naast staat. Zo werd ik gepakt door de elegantie van de toren. Wat een parel. Ik werd er helemaal week en warrig van.

- De autodealers op des Champs Elysées. Dat had ik niet verwacht. Toyota, Mercedes, Citroën… Zo naast de kledingzaken. Ik zie het niet gebeuren op de Meir of de Keyzerlei…

- Er wonen zou een makkie zijn. Moest het niet totaal onbetaalbaar zijn om er te wonen. We keken tv in het hotel en we zagen een woonprogramma. De presentator vond een piepklein apparatementje (1 slaapkamer) en ze waren dolblij met de luttele prijs van €300.000. Wablief.

- Er is niks zo dom als dubben. Die Fransen hebben misschien wel een mooi groot land en een geweldige hoofdstad, maar hun tv-programma’s zijn zo mogelijk nog dommer dan die van ons. Met lelijke smakeloze decors en brulapen. En dat dubben is echt brrr.

- Père Lachaise: Het graf van Osar Wilde. Heel het graf zit onder de lippenstiftkussen. Zo lief. Mooi en ontroerend vond ik het.

- Ik zag Ensor in Musée D’Orsay. Heel wat schilderijen kwamen van Antwerpen. In Parijs zag ik schilderijen die normaal gezien achter mijn hoek hangen…

- Oja, nog eentje: ik heb een fantastisch lief…

Afgehakte handen in het vensterraam:

Een bevroren bruid bij nul graden. Ze zag er nochtans content uit:

Er stond ergens: The best man that ever lived. Naar het schijnt heeft de achterkleinzoon van Oscar Wilde het er moeilijk mee dat het graf vol lippenstiftvet hangt. Reinigen is duur. Maar hij zou er de charme ook van inzien:

Het graf van ene spiritistische Allan Kardec. Zijn graf werd door gekke vrouwen omringd:

Een feestelijk weekend

2009 december 11

Behalve een weekendje Parijs met een jarig lief en zonder kind (!!!) is het ook een beetje een speciale dag in mijn kleine blogwereld. Ik heb namelijk de kaap van 50.000 bezoekers gehaald (mijn vorige blog: Mijn kleine wereld niet meegerekend). Misschien eens tijd voor wat statistiekjes en weetjes? De glorietijd van de lijstjes komt er nu toch weer aan. Feestboodschappenlijstjes, goede-voornemens-lijstjes, aantal-genodigden-lijstjes, jaaroverzichtlijstjes enz.

- Ik begon deze blog in januari van dit jaar. Maar toen gebruikte ik ‘m nog niet. De echte overstap was op 22 februari 2009. Dat is voor mij dan ook de eigenlijke startdatum. Als ik terugkijk naar mijn vorige blog vind ik het jammer dat ik niet vroeger overgestapt ben. De foto’s waren daar echt veel te klein…

- Sindsdien dus 50.000 bezoeken. Of dat nu veel of weinig is, weet ik niet. Ik vind het in ieder geval veel. Keiveel. Ik ga ervan blozen en ben stiekem wel een beetje blij. Ik kan in feite iedere bezoeker als een klein complimentje beschouwen.

- Mensen die via zoekmachines tot op deze blog komen hebben vullen daar soms rare dingen in. Wat me het meest opvalt is dat er ontzettend veel gezocht wordt op ‘ontwaakt gij luie slaper’. Er gaat geen week voorbij of minstens vijf mensen passeren mijn blog met die drijfveer. Soms zetten ze er nog ‘koekoek’ bij. Iemand schreef ooit ‘Ontkwaakt gij!’
Na ‘ysabje’ is de oproepende koekoek de meest populaire zoekterm. Zeker als je alle varianten bijeen telt. (Luie slapper, hij roept op koek, …)
Het jammere is dat wordpress niet alle zoektermen bijhoudt. Ze zijn soms hilarisch… ‘Stinkende pampers die stinken’, of iemand die zoekt op ‘over mij grappig’. Die denkt dat ie zo bekend en grappig is dat ie z’n naam zelfs niet hoeft in te geven. Als ik iets zou veranderen aan wordpress dan zou ik graag lijsten hebben van àlle ingegeven zoektermen.

Ik kreeg 1643 commentaren op 162 schrijfsels/foto’s (deze inbegrepen).
De drukste dag was 12 maart. Toen schreef Pietel een kleinigheid over mijn blog. 942 bezoekers op één dag. Ik wist niet waar ik het had…
Mijn drukste maand was oktober van dit jaar. Die maand kwamen er 6311 mensen een kijkje nemen.

- De ‘doorklikkers’ kwamen op mijn blog via nl.wordpress.com/tag/naakt: 1064 keer (viezerikken!). En dan via de blog van Isabel: 696. Op de voet gevolgd door Mijn kleine wereld: 685. Dan komt google. Dat beweren ze toch bij wordpress.

Ziezo. Nu kunnen we weer verder. Ik hoop dat ik jullie nog lang zal kunnen boeien. Zij die hier vrijwillig willen vertoeven; wees in ieder geval welkom!

En ondertussen steken wij een streepje vuurwerk af…
(deze foto verscheen eerder al op deze blog. Bijna een jaar geleden…)

Gekooide waanzin

2009 december 9

Ons monstertje had voor mij gisterenavond een pakketje onversneden waanzin klaarliggen. Net anderhalf, maar hij kan een koe een ton washandjes laten opeten van miserie. Gisterenavond veranderde ik van een ideale modelmoeder in een briesend en vuurspuwend ding. Een mamamonster of zo.

Spijlenbedjes zijn er op voorzien om het kind op zijn plaats te houden. De spijltjes zijn in feite tralietjes. De meeste kindjes kunnen – allerschattigst – al snel boven de spijltjes uitkijken. Ze staan dan wankel op hun dikke pootjes en brabbelen iets liefs. Ze steken hun handjes hulpeloos uit en zijn blij als je ze pakt. Zo dacht ik toch dat het ging zijn toen ik mij, naast het bedje, ook een kind aanschafte.
Tadeusz heeft echter in de afgelopen maanden intensief getraind om zichzelf uit dat bedje te hijsen. Hij smijt zijn teentjes over het randje en klimt dan als een spinnenkopje over het hoekje en laat zich rustig zakken als een dief langs een gevangenismuur. Afgelopen weekend, midden in de nacht, hoorde ik zijn geschuifel en gesnotter plots dichterbij komen (we slapen in een grote gezamenlijke ruimte waar in feite geen deuren zijn) en er trok iets aan de deken. Ik legde hem die nacht al een keer of zes terug in zijn bed.
Maandagnacht werd ik wakker en lag hij gewoon naast mij in bed. Mijn fantastisch lief Sventikov was weg. Weggejaagd door het dwingend kindje.
We hadden dus een probleem. En het werd steeds groter. Gisteren bereikten we de ‘top’ van het opvoedkundig dieptepunt.

Ik denk dat ik niet overdrijf als ik zeg dat hij gisterenavond hondertwintig keer uit zijn bed is gekomen. Met rode wangetjes en van vermoeidheid tranende oogjes, maar met een onverwoestbare drang om zichzelf uit dat bedje te hijsen. Ik ging het aanpakken zoals de ideale moeder betaamt: ik leg hem terug, niet teveel aandacht, ni posi ni negatief, geduldig blijven, niet roepen, niet belonen…
Awel, na achtenzestigste keer trap op en af was ik veranderd in een blaffende moordkip die hem met een homerun terug in bed smeet. Eenmaal terug op mijn stoel kreeg ik nog niet de kans om weer in mezelf te veranderen of ik hoorde hem beneden al weer rondscharrelen (we slapen namelijk op de onderste verdieping). De ene trof ik hem allerliefst met een knuffeltje uit de badkamer, de andere keer stond hij onschuldig in het vuilbakje te staren. Ik probeerde zeventig verschillende aanpakken. Van ‘In de hoek!’ tot ‘Gaat het niet schatteke?’. Van ‘Hebt ge pijn?’ tot ‘Loop dan maar rond!’ en ‘Loop naar de hel!’

Naar ‘t schijnt kunnen kinders van die leeftijd een verbod nog niet zonder de verbieder zien. Als mama zegt dat ik in bed moet blijven, dan geldt dat alleen maar als mama er is. Als mama weg is, hoef ik niet meer in bed te blijven.
Maar ik was al lang geen gewone mama meer. Ik was een kudde op hol geslagen buffels. En het kon me allemaal al niet meer schelen. Toen Sventikov thuiskwam om 22u nam hij hét van me over. Aflossing van wacht, dacht ik… Ik dacht dat we gered waren. Maar helaas. Na nauwelijks tien minuten stond het zweet der frustratie ook op zijn voorhoofd te parelen.

We eindigden om middernacht met een kooi. We hadden een latoflexje op overschot en dat paste perfect. Ik had eerder al met hamer en nagels rondgelopen, maar dat draaide alleen maar uit op splinters in mijn vingers.
Met touw en lappen bonden we het traliedeksel muurvast bovenop het bedje. Tadeusz zat in een kooi. Hij vond het heel erg, maar ontsnappen was onmogelijk. Het was nog beter dan de helikopternetten boven de gevangenis. Maar het zag er wel echt zielig uit. Maar we waren tenminste even gerust. (En we vertelden hem niet dat er een snelle uitweg langs onder was.). Zo veel kinderen in België en zo weinig gezinsdrama’s!

Toen ik die kleine gremlin – het ene moment een monster, maar het andere moment zielroerend lief – vanochtend naar de crèche bracht was ik nog altijd een buffel of zes. Maar daar hadden ze op twee minuten een ideetje: “Waarom steek je hem niet in een slaapzakje?”
Zo eenvoudig. Zo hemeltergend eenvoudig! Slaapzakken genoeg in huis, maar gewoon niet het verstand om daar aan te denken. Heel mijn zelfbeeld als moeder naar de knoppen terwijl de oplossing gewoon een slaapzakje is! Hij ligt nu, deze nieuwe avond, al uren te slapen. Van de eerste keer. Zonder een kik. Hij krijgt dat beentje gewoon niet meer hoog genoeg naar boven. Hij valt om. Geen grip zonder teentjes. Hij geeft het op. Moe is moe. Geen verlokkingen meer, geen ‘moeten-weerstaan-aan-de-lokroep-van-de-badkamer’. Geen monsters meer in zijn slaapkamer. Nee, nu zijn we gewoon weer de liefhebbende en perfecte ouders…

Ik had graag een foto van ‘De Kooi’ toegevoegd, maar in mijn slaapzakjesenthousiasme werd die nogal vlot afgebroken… Daarom maar weer een saaie foto van het monstertje in kwestie. Hier te zien met zijn meedogenlooste geheimste wapen: zijn schattigheid…

Weten wat je wil

2009 december 7

Vroeger was er een groepje jonge mannen in het dorp waar je er als vrouw waarschijnlijk eentje van zou trouwen. Gelukkig of ongelukkig, men was getrouwd, baarde kinderen en bereidde schotels met wat men tegenwoordig vergeten groenten noemt.
Tegenwoordig ken ik heel wat vrouwen (en ook mannen) die zonder partner blijven. Ze vinden gewoon geen geschikte kandidaten. Zoveel huwbare mannen, maar geen goeie match. Zijn we te veeleisend?
Kunnen kiezen uit vrijwel de halve wereldbevolking maakt de situatie er niet gemakkelijker op. Meer keuze verknoeit het overzicht.
Iemand had voor een vriendin een lijstje gemaakt van waar haar partner aan zou moeten voldoen (foto). Misschien kunnen de lezende mannen hun kandidatuur insturen als ze voldoen? Ik veronderstel dat er over een aantal zaken te onderhandelen valt. Een ding is wel vergeten: er moet wel een vonk zijn natuurlijk. En als de vonk er is, dan denk ik niet dat je nog goed moet kunnen masseren. Maar toch is het lijstje misschien ineens over te nemen door andere manloze vrouwen? Liefst ook op bierviltjes. Dat maakt mannen volgens mij gewilliger… Of trekt dat net de alcoholiekers aan?

Op het lijstje staat:
- jong van geest
- dapper
- risico’s durven pakken
- genot vinden in kleine dingen
- groot zijn in kleinheid
- geen alcoholieker, geen drugs
- kinderen mag –> 1 zoon
- zelfbedruipend
- attent
- kan goed masseren
- geen egoïst
- geen stinkerd of snurken (scheetje van tijd mag)
- goede humor
- vernieuwend
- initiatief nemen
- goed kunnen koken
- zelfde ritme
- alleen kunnen zijn
- niet jaloers
- huisdier mag
- niet agressief