Hot Yoga

2010 februari 1

Een kennis van me opende onlangs een yoga-studio. Ze geeft hot yoga. In een temperatuur van ongeveer 35 graden plooien de deelnemers zich in indrukwekkende houdingen. Of ik niet wat foto’s wilde komen maken. Dat wilde ik wel. Voor mij is het bij de meeste dingen die ik fotografeer ook de eerste keer dat ik ze fotografeer.
Nu moest ik rekening houden met een omgeving vol spiegels en waar een sfeer van stilte en opperste concentratie heerste. Niet gemakkelijk, maar wel leuk om te doen. Zowel de fotografie als de yoga!
Voor meer info: Hot Yoga Antwerp

En ik maakte ook nog wel wat minder serieuze foto’s:

Bang

2010 januari 30

Als kind waren er toch wel wat dingen waar ik bang voor was. Ik werd nogal onconventioneel opgevoed en er was weinig ruimte voor of nood aan angsten. Ik was zeker geen heimweekindje of huilebalk.
Maar toch was ik, zoals de meeste kinderen, voor vanalles bang. Een klassieker is natuurlijk de spoken onder het bed. Elk kind heeft minstens één persoonlijk spook dat hem voor een paar jaartjes wakker houdt. Daar ben ik van overtuigd.

Een stukje film, lang voor ik de toegelaten leeftijd had, maakte dat ik jarenlang vreesde voor witte griezelhandjes die naar mijn voeten zouden grijpen als ik op het bed zit. In de film, waar ik de naam niet van ken, trekt het meisje net op tijd haar voeten naar boven om te gaan liggen. Ze weet dus niet van het griezelhandje. Maar de kijker wel. Bloedstollend vond ik dat!

Nu ben ik groot, ik weet dat er geen handjes onder het bed wonen, en verder ben ik moeder geworden. Ik kijk nu naar de mogelijke bangmakers voor mijn zoontje en ik zie er veel. Een bos dat in een tekenfilm omgekapt wordt tot er alleen maar een lege vlakte overschiet. Plots geen bekenden meer zien. Een vreemde figuur de ‘boe’ roept. Een auto die te snel door de straat rijdt. Het gordijn dat beweegt. Boosaardige mannen in films. Griezelige muziek.
Het is makkelijk om bang te zijn. En het is niet moeilijk om bang te worden van het leven. Misschien moet ik binnenkort eens tijd maken om Tadeusz te vertellen dat het mag, maar dat het niet hoeft om bang te zijn. Ik denk trouwens echt dat de spoken bang van hem zijn.

Over bangmakers gesproken: Ik kon vorige week trouwens een glimp opvangen van een vampier. Haar tanden steken door haar lip als ze haar mond (of is het bek?) dicht heeft. Ik kon maar in de vlucht een foto maken van deze bloedzuiger. Ik moest mij dan uit de voeten maken of ze had me aangevallen…

De sprong

2010 januari 26

Springen kan ie nog niet. Maar hij doet het wel graag. Dan gaat hij wat door de knieën, wipt wat op en neer en gaat dan – vliegensvlug – staan.
Maar op den dorpel heeft ie het gevoel dat het toch al een beetje lukt. Hij bukt zich, hij concentreert zich, en dan zwiert hij zichzelf van het trapje. Hij vliegt dan een beetje. Hilariteit alom. Handengeklap en natuurlijk een trotse moeder. Trots over die bijna-sprong.


Grappig, kinderen. Erg grappig.

Zondagse griezels

2010 januari 24

Een vochtige dag in een maand waarin de zomer het verste weg lijkt. Ze zeggen dat januari een van de meest depressieve maanden is. Een chronsich tekort aan zonlicht, de weerbots van de eindjaarsfeesten, het geld van de ‘envelopjes’ is op, de voornemens zijn mislukt. De gestopte rokers hervallen het meest rond deze tijd, de diëten worden weer ingeruild voor calorieën. Van mijn persoonlijke voornemens kwam tot hiertoe ook nog niet veel in huis: ik kom nog even veel te laat op even veel plekken en ik ben precies minder content dan voordien. Maar klagen hoeven we niet echt te doen. Op zondag moeten we niet werken, aardbevingen komen hier zelden voor, en veel regen betekent ook vruchtbaarheid…

Een zondagse wandeling door de stad en langs de kaai. ‘t Was weer mooi. En ook al was het licht, ik zag toch enkele spoken…
De dame zonder hoofd:

De spooktrein aan de hangars:

De creepy poes met spuit in de bil:

Moe

2010 januari 21

De uitputtingsmachine

2010 januari 19

Bijna twee jaar geleden baarde ik mijn eigen uitputtingsmachine. Ik noemde deze uitvinding ‘Tadeusz’. Ik zou zo een prijs winnen bij het uitvinderssalon. Deze gesofisticeerde uitputtingsmachine is op velerlei manieren bijzonder effectief: omdat het mechaniekje veel onderhoud en verzorging vraagt, werkt het al voor het zelfs maar opstaat! Gewoon al de brandstof bijvullen, het smeren en het properhouden zijn al noemenswaardig. Maar als het ding begint te doen waar het voor gemaakt is, dan zijn de poppen pas echt aan het dansen. De uitputting is altijd òf aanwezig òf vlakbij.

Een sterke motor, heel wat paardenkracht, en veel decibels.
Soms moet ik al uitrusten voor ik buitenstap. Probeer zo’n weglopend en wriemelend ding maar eens van muts en jas te voorzien. Dan ook nog al het onderhoudsmateriaal (luiers, reservekleding, vochtige doekjes…) niet vergeten. En de kar om het apparaat in te vervoeren. Hoewel het natuurlijk doelgerichter is als je het gewoon laat rondrennen.
Nu het minder koud is moeten de handschoenen niet meer aan. Een spijtige zaak want die leverden altijd een extra graadje uitputting op.

Maar het best werkt deze machine toch als het donker is. Op dit eigenste moment, het is bijna middernacht, luister ik naar uitbundig gezang op speciale toonhoogte. Met de zelfzekerheid van Frank Sinatra en de emoties van Jacques Brel zingt hij ‘Hi-hi-hi! ha-ha-ha! dom-tom-tom…’ (‘ik stond erbij en ik keek ernaar’ is nog te moeilijk, denk ik). Hij is bezig van acht uur. Soms is het geen zingen, maar krijsen. Variatie is een van zijn sterke aspecten.

Ik weet dat – op het ogenblik van het ter bedde gaan – een ijselijk geween mij van de slaap zal behoeden. Gelukkig is deze uitputtingsmachine goed afgesteld en zijn de intervallen in het systeem zo geprogrameerd dat er op cruciale momenten ingegrepen wordt. Enkele seconden nadat ik indommel bijvoorbeeld. Of bij het aanbreken van de diepe slaap. En toch minstens om het uur. En zelfs dan weet dit machientje nog een stapje verder te gaan: om drie uur ’s nachts dwingt het mij bijvoorbeeld om op handen en voeten in het donker op zoek te gaan naar een tutje. Wat praktisch onvindbaar is natuurlijk. Anders zou het maar een slappe uitputtuingsmachine zijn. Niet?

Een ander slimmigheidje van dit toestel is het gewicht. Met zijn vijftien kilo onderhoudt het de fysieke uitputting. Je rent er een hele dag achteraan en als je het te pakken hebt is er de lichamelijke beproeving, de armspieren worden niet vergeten tijdens het proces.

Maar het meest effectief van deze sublieme uitputtingsmachine is misschien wel het ongebreidelde enthousiasme. Gewoon al dat vinnige smoeltje en ik word al moe.
Maar ook altijd zo blij. Zo ongelofelijk blij…

à Volonté

2010 januari 17

Het is januari. Een periode waar velen onder ons een werkgerelateerd uitje beleven. Den baas betaalt een drink of een klein etentje ter ere van het nieuwe jaar. De ondertussen door gebrek aan zonlicht gedeprimeerde werknemers moeten weer even aangepord worden tot maximale inzet. Met wat drank en hapjes blijkt personeel makkelijk tot diepgaande loyaliteit te brengen. Of als dat niet lukt is alcohol een dankbaar waarheidsserum waardoor lastig personeel ontslagwaardige uitspraken doet.
Ik hoorde vorige week iemand vertellen over zijn personeelsfeestje. Het werd een orgie, alle vrouwen naakt, hotelkamers geboekt en gedeeld, drugs op tafel en vechtpartijen. Een derde van het team zit nu zonder job.

Vorige week hadden wij op ‘t werk ons feestje. We beginen steevast met onze cadeautraditie (op voorhand namen trekken en een cadeautje kopen van maximaal 5€), waar de pret al mee begint. We maken er een erezaak van om origineel en leuk uit de hoek te komen. En dan trekken we naar een of ander restaurant – in jolige stemming want er worden toch al een paar flessen jip-en-janneke bubbelsap soldaat gemaakt op de dienst.
Het leuke aan ons team is dat we ons amuseren alsof we er stevig op los boemelen, maar er wordt nauwelijks een alcohol gedronken. We zijn gewoon geen ‘drinkend team’. We hebben allemaal zo onze eigen redenen. In totaal wordt er misschien één fles wijn gekraakt.
Als er in het dagelijks leven bepaalde verschillen of conflichten zijn tussen teamleden, dan is daar op ons nieuwjaarsfeestje nooit iets van te merken. Ook nu had ik in de loop van de avond weer een gedenkwaardige slappe lach (maar vraag me niet wat de grap was). We hebben een erg grappig team en ik amuseerde me weer heerlijk.
Aangezien ons team serieus wat voedsel kan binnensteken en we ditmaal voor een à volonté buffetconcept gekozen hadden, heeft het restaurant zeker geen winst gemaakt op ons. En wij maar gibberen en lawaaimaken alsof we hun hele wijnvoorraad ophadden. Misschien toch maar even wachten om er terug te gaan.

Blaf!

2010 januari 14

Als maatschappelijk werker kom ik regelmatig bij mensen thuis. Meestal kom ik bij doorsnee gezinnen met leuke eigenaardigheden en grappige verhalen. Maar vaak zijn het ook sterk gemarginaliseerde gezinnen, in vuile appartementen, met onaangename geurtjes en barsten in het plafond. Er zijn mensen die zeggen dat ik ze ‘bomma’ mag noemen en waar gebreide schilderijen (van bijvoorbeeld Elvis) tegen de muur hangen. Ik ben bij mensen geweest waar geen meubels stonden, behalve een houten kom met een baby in. Ik kreeg al fluogroene drankjes in vuile glazen en chileense vleesspecialiteiten uit ‘levende’ keukens. Er zijn plekken waar ik de lift niet neem omdat ik vies ben van de liftknopjes. En tijdens mijn avonturen kom ik niet weinig bij mensen met huisdieren. Papegaaien, hamsters, leguanen, goudvissen. Maar toch voornamelijk katten en honden. Er zijn gezinnen waar het aantal dieren al lang niet meer op twee handen te tellen is… Hoe meer haar hoe liever, denk ik.

Een mens met een hond, dat is voor mij best oké. Zolang ze hun behoefte niet voor mijn deur achterlaten. Ik ben niet bang van honden, ik weet dat het leuk kan zijn om er een te hebben, maar als ik op huisbezoek ga hoeft het voor mij niet. Ik zie ze nochtans veel. Ik ken propere honden en smerige. Kwijlende en spelende. Valsaarden die scheel zien en getraumatiseerde edelen. Depressieve mandplakkers. Er zijn kleine keffers en er zijn halve kalveren. Tsjoepke. Vlekkie. Blakkie (de witte Maltezer). Baffy. Zolang ze mij gerust laten is het voor mij al lang goed.

Maar vorige week kreeg ik mijn part toch weer. De ene dag was daar Jos – het ‘kalf’ van een meter twintig hoog, bang als een muis, en daarom bloedlink – die me aan de voordeur vanuit de gang al tegemoet sprong. Zijn voorpoten op mijn schouders, haphap (gelukkig zonder doelgericht bijten) en maar blaffen in mijn oor. Als Jos blaft vallen de kadertjes van de muur. Het vervallen huis vervalt bij iedere waf nog meer. En hij blaft veel. Iedere keer als er ergens in de straat een papiertje op de grond valt. Of als er een lamp springt bij de buren.
Jos zou mij onderhand moeten kennen, maar hij vergeet het telkens. Hij is te nerveus om te kunnen onthouden. Een bange brok springende spieren. Hij is alleen maar af te leiden met een zompig tennisballetje. Dat hij dan gedurende het hele gesprek op mijn schoot komt deponeren. Vragen om de hond buiten te zetten is geen optie. Het huisje heeft maar drie vochtige kamers en Jos krijgt alle deuren open. Hij beukt ze gewoon in. Als ik vertrek schuimt mijn broek van de kwijl. De auto ruikt nog dagen naar natte hond.

De volgende dag moest ik bij Baffy zijn. Baffy lijkt op het eerste zicht een schatje. Hij is klein, gevlekt, kijkt smachtend lief, blaft nauwelijks, kwispelt. Maar hij heeft iets met mijn enkels. Tijdens het gesprek komt hij onder tafel aan mijn voeten staan. Ik hoor zijn nageltjes op de ballatum schuifelen. En dan snuffelt hij met zijn natte neus aan mijn broekspijpen en enkels. Continu. Hij gaat niet weg. De eigenaars roepen dat ie in z’n mand moet. Dat doet Baffy wel. Maar na een halve minuut is ie daar weer. Het valt bijna niet op. Een lichte kriebeling aan de voet. Ik duw ‘m weg, ik trek ‘m weg, ik spreek ‘m streng toe. Niks helpt. Na een kwartier moet ik mezelf inhouden om het beest geen stevige trap te verkopen. Een volhardend hondje. En volgens het baasje is ie verliefd op me. Soms berijdt ie mijn voet. Maar dan kan ik tenminste krachtdadig ingrijpen. Wie wordt er nu boos op zo’n stil snuffelig hondje? Nog uren na het gesprek voel ik zijn neus tegen mijn enkels kriebelen. Geef mij dan maar Jos.

Diezelfde dag nog (het leek of Baffy kwijlde nog op mijn voeten) ging ik naar een ander gezin. Hun honden zijn lang niet zo storend. Twee Franse Bulldogs. Lui hangen ze voor de kachel. Ze bewegen zich liever niet dan wel. Ze kijken nauwelijks op als ik binnenkom. Ze maken wel voortdurend vieze snurkgeluiden, maar dat is te negeren. Maar wat niet te negeren is, zijn hun scheten. Als die twee scheten laten is het of de hel gaat open en dicht. Ik weet niet wat ze hadden, maar volgens mij hadden ze spruiten of bonen gegeten. Ik draaide bijna van mijn sus.

Ik heb echt alle begrip voor mensen met dieren. Ik heb zelf altijd dieren gehad; dieren zijn geweldig. Ik vind ze grappig en boeiend. Samenleven met dieren kan zo’n verrijking zijn. Maar van mij mag u de hond gerust buitenlaten als ik langskom…

Beveiligd

2010 januari 10

Zaterdag ging ik een huis bezichtigen. We doen dat natuurlijk omdat we een huis willen kopen, maar het bevredigt ook een behoefte van nieuwsgierigheid. Ik hou ervan om te zien hoe mensen wonen. In mijn professioneel leven kom ik als gezinsbegeleidster vrijwel dagelijks in andermans huizen en leven binnen, maar zo’n huis gaan bekijken is toch wat makkelijker. Dan hoeft er niet gewerkt te worden. Ik zag in mijn huizenzoektocht al heel wat levens passeren. Sommige waren schrijnend, andere waren poëtisch.

Ik maakte deze keer veel foto’s omdat mijn lief lief Sventikov met een valling in bed ligt en niet mee kon komen. Toen ik het volgende zag, moest ik direct aan Sergeant Mao denken. Hij is niet alleen!:


En op de bovenste verdieping zag ik:


Toen besefte ik dat dit een zwaar beveiligd huis was. Dit was een fort. Met deze mensen valt niet te sollen! Ik heb mij dan maar rap uit de voeten gemaakt.

Papaportret

2010 januari 8

Nog maar eens mijn mooie vader, Mike Zinzen, muzikant, uitvinder en verhalenverteller:
Portret van wenkbrauwen:

Portret van vingers: