Duivels

2009 november 11

Ik gebruik mijn blog vooral voor mijn ervaringen. Kleine verhalen en impressies. Ik verkondig bijna nooit grote meningen of waag mij zelden aan actuele thema’s waar polemieken rond bestaan zoals bijvoobeeld de ‘grote’ Pietel dat doet. Ik geloof dat mijn wereldbeeld wel spreekt uit de kleine verhaaltjes die ik vertel. Ik ben immers te ongenuanceerd en vaak ook gewoon een beetje te dom om een fundeerde argumentering op te zetten die de moeite waard is. Ik heb natuurlijk wel veel meningen.
Ik erger mij in het verkeer aan onhoffelijkheid en regelsaanhunlaarslappers die anderen storen. Ik gruwel van Yves Leterme. Ik vind de attitude van het Belgische rechtssysteem bedroevend. Ik vind dat asielzoekers met meer respect behandeld moeten worden. Enzovoort. Ik lees de krant, maar interesseer mij ook daar meer voor de kleine artikels dan voor politiek of buitenlands nieuws. Ik ben een kleine mens in een kleine wereld met een kleine mening en ik hoef die zeker niet uitgebreid te bespreken op dit blogje. Maar heel af en toe…

Ik lees het nieuws meestal op het internet. De Standaard heeft nu al een tijd de mogelijkheid dat lezers kunnen reageren op artikels. Ik heb me al lang geleden voorgenomen om die reacties zo weinig mogelijk te lezen. Ik ben immers bijna iedere keer gechoqueerd en triest als ik zie wat veel mensen denken. In mijn ogen is het zo middeleeuws, zo hard, zo lelijk en zo kortzichtig.
Dat voornemen is niet altijd zo sterk. Soms heb ik al drie reacties gelezen voor ik het doorheb. En dan sijpelt plaatsvervangende schaamte en verdriet rechtstreeks bij me naarbinnen.
“Aan de schandpaal! De doodstraf! Opsluiten voor jaren! Schandalig! Terugsturen! Hetzelfde aandoen!”

Het is vanzelfsprekend dat we meeleven met de slachtoffers van misdaden. We zoeken in onszelf de pijn die wij zouden voelen. Het is gemakkelijk om kwaad te worden op daders van vanalles. Ouders die een kind verliezen, dat moet een ondraaglijke pijn geven. De kwaadheid en de machteloosheid die ze dan voelen, dat moet allesverterend zijn. Ik word soms misselijk als ik er nog maar aan denk.
Maar het zijn niet per definitie de ‘goeden’ en de anderen de ‘kwaden’. Het zijn niet de enigen in het verhaal.
De wereldbevolking is niet opdeelbaar. Sommige daders werden het door een stom toeval of pech. Anderen uit wanhoop en sommigen uit kwade wil. Het is wel veel moeilijker om zich in te beelden hoe die zich voelt, om met de daders mee te leven.

Mensen zoeken liefst de duivel buiten zichzelf. Als die gevonden is in vluchtmisdrijvers, profiteurs, landverraders, anderskleurigen dan zijn ze blij want dan zit de duivel niet in hen. Zij zijn goed. En de wereld is beheersbaar, duidelijk en zij slapen op hun twee oren. Zij mogen naar de hemel.
Er zijn duizenden films gemaakt vanuit het oogpunt van slachtoffers. ‘Mooie’ ontroerende verhalen waar het onrecht zo zichtbaar is. De slechte mensen worden op het einde vaak neergeschoten, of vallen van een ravijn naar beneden. Het is duidelijk welke kant je moet kiezen en het verontrustende is vooral dat er slechte mensen bestaan…
Ik ken veel minder films die vanuit het oogpunt van de dader vertrekken. The Woodsman (met Kevin Bacon) is er zo eentje. Je krijgt zowaar sympathie voor de pedofiel. Dat vraagt veel meer van de kijker. Ondere andere veel lef. Het laat je op zoek gaan naar de duivel in jezelf. En dan is het verontrustende niet alleen dat er pedofielen bestaan, maar dat er ook nog eens kwaad binnenin jezelf kan zitten.
Er wordt veel gewezen naar de ander, veel gescholden en verweten. Het rechtsysteem mag in België dan serieus wat haken en ogen hebben, gelukkig zijn de reageerders op het internet de rechters niet. We zouden nogal wat executies moeten uitvoeren. En een beul is volgens mij lang geen heilige…

IMG_7596_aangepast-border

Kustkus

2009 november 9

Een keer per maand snorren wij met het autootje naar Oostduinkerke. Wij gaan de zee groeten. En mijn schoonouders groeten Tadeusz. We worden meestal meegenomen op een mooie wandeling tussen duinen en door bossen. Meestal met op de eindbestemming een speeltuintje waar Tadeusz eens enthousiast op zijn gezichtje kan vallen…
Hoewel de architectuur er soms erg lelijk kan zijn, wordt ik vaak toch aangenaam verrast door onze kleine kust. Duinen liggen niet altijd aan de zee, besef ik nu wat beter. Soms liggen ze ver landinwaarts. En het licht is er vaak hel speciaal. Soms lijkt het een beetje op kunstlicht of krijgt het gewoon een rare kleur door het zand en de donkergroene groeisels.
Soms lijkt het of ik door de kust gekust word.

IMG_4507-1-border

IMG_2731-1-border

Ontspanningsdruk

2009 november 6

Ik voel me de laatste dagen wat opgejaagd. Daarom is het hier zo stil, denk ik. Soms is het leven zo gulzig en snel en hol ik erachteraan als een laatkomer achter zijn bus. In werktijd vliegen de post-it’jes in het rond en krijg ik blauwe ellebogen van het typen of een warm oor van het bellen. Of ik begeef me in groezelige appartementen en schud vuile handen. Een huisbezoek noemen ze dat dan. Ik kribbel daar volledige schriftjes vol met belangrijke boodschappen van andermans leven. Ik klap doar soems eejl plat aantwaarps om me verstaanbaar te maken en ik dompel me onder in de zorgen van wel twintig andere levens. Beroepsoplosser ben ik in feite. Van problemen.

En dan is er die andere tijd. Ze noemen het soms ook ‘vrije’ tijd. Zo van ‘vul zelf maar naar believen in’. Klinkt goed, maar er zit een weerhaakje aan. Er zit namelijk heel wat druk op dat stukje tijd. ‘t Is in feite een blokje geperste tijd. Geperst tussen werkuren die altijd langer duren dan ze zijn.
In de week is die vrije tijd vaak een worsteling met vuile was en kruimels, met weerbarstige avondmaaltijden en gifitge luiers. Allemaal tegelijkertijd soms! Een ongelijke strijd. Vorige week moest Sven me nog bevrijden uit de wurggreep van zijn ongestreken hemden. Gisteren werd ik bijna in de afwasbak verzopen door een contraire schotelvod. En maandag viel ik van de trap met een piepklein zakje (st)oud papier dat ik naar buiten wilde brengen. Ik viel bijna flauw en mijn bil is nu helemaal blauwig groen.
Iedere avond val ik uitgeput neer in bed en volgens mij is het maar een kwartiertje later dat de wekker zingt.

Je zou denken dat een mens naar het weekend uitkijkt, niet? Maar ook weekends kunnen druk zijn. Soms is het een dwangmatig zinvol bezig zijn. Ik wil dan vaak per se gaan wandelen of iets gaan bekijken. Gewoon niksen lijkt zo triest. Bovendien ben ik van het soort dat zichzelf gemakkelijk verveelt en dan zelfmedelijden krijgt… Dus breng ik mezelf óf in drentelige niksmomenten die me stress geven óf in volgeplande weekendsituaties die prettig zijn, maar ook vermoeiend: vorig weekend naar Delft, dit weekend naar zee. Valiezen pakken, vroeg opstaan, camera opgeladen en memorykaartjes leeg! Er moet gefotografeerd worden! Gelukkig woont aan zee het schoonouderpaar dat voor ons kookt en dat digitale tv heeft en dat dolgraag een weekend lang het kleinkind platknuffelt.

Maar als ik terugben wil ik mijn vader bezoeken, moet ik griepbacillen verbeten van me afslaan, beslis ik na rijp beraad welke douchegel de beste is om aan te schaffen. Ik wil dan boeken lezen, naailes volgen, vrienden zien, naar de cinema gaan, batterijopladers kopen, lampen vervangen, mijn moeder bezoeken, de planten binnenhalen (die planten! Dat moet op het to do lijstje!), plannen maken enz. Ik ben trouwens ook zo moe!

En zo gebeurt het soms dat er niet geblogd wordt. Ik had de laatste week ook nauwelijks een streepje inspiratie. En dan wil ik me niet dwingen. Er moet al zoveel. Wat is de moderne mens in een welvaartstaat toch een gelukzak. Zoveel dingen om te doen!

Een Delfts kind in een Delfts huis:
IMG_4122-1-border
Deze Delftenaren kunnen mooi schrijven, maar ze zijn wel de e vergeten:
IMG_4178-1-border
En Delft heeft – naast hun eigen scheve toren – ook een grappige vierkleurentoren:
IMG_4190-1-border

Halloween

2009 oktober 31

Bepaalde feestelijkheden liet ik in het verleden vlotjes aan me voorbijgaan. Ik heb nooit een kerstboom gezet sinds ik op mijn zeventien alleen ben gaan wonen en halloween daar was een paar jaar geleden nog geen sprake van.
Nu er een kind is begint er ‘t een en ‘t ander te veranderen. Ik ben bijvoorbeeld vastbesloten om dit jaar wél een Kerstboom te zetten. Ik was niet van plan om Halloween te gaan vieren, maar op de crèche waren ze redelijk volhardend: afgelopen vrijdag mochten de kindjes verkleed komen. Halloweenkostuums voor de allerkleinsten, de kinderverzorgsters popelden weken op voorhand van de voorpret. Het hoefde geen geld te kosten, een laken zou al snel een spook zijn, een lippenstift kan bloedsporen maken. Ik had nooit gedacht dat ik plezier zou scheppen in dat soort kleinigheden…
Een van mijn collega’s bracht een muizenpakje mee voor Tadeusz. Ik hoopte een beetje dat het ook een beetje een rattenpak kon zijn. Niet dus. Maar ik besloot Tadeusz toch als knaagdier naar de crèche te sturen, of het nu een rat of een muis zou zijn. Hij leek totaal niet op een rat. Eerder mollig muizeke. Iemand riep: Oh, Tadeusz is een schattig konijntje!
Er waren nog spoken en dracula’s. Batmannen en brandweermannen. En zelfs de duivel! Ik ben er een half uurtje gebleven. Ik vond het fijn om met de dracula’s en de spoken een praatje te maken… Ik kijk er plots naar uit om binnenkort zelf pakjes te naaien. Ik ben al op zoek naar patroontjes!
IMG_3828-1-border

IMG_3973-1-border

IMG_3845-1-border

IMG_3882-1-border

Vol ‘overgave’

2009 oktober 28

Daar stond ik vannacht – een druipend kind onder de oksels vastgegrepen, een weeïg geurtje van kots, een klokradio op 3:06. Ik bleef daar nog even zo staan, nog niet goed beseffend in wat voor stinky avontuur ik nu weer terecht gekomen was. Maar dan: een nieuwe gulp die op de vloer pletst, mijn blote voeten plots in lauwe brij met sliertjes slijm. Oké, ik ben wakker…
Sinds ik het overgeefverhaal bij Isabel zo waanzinnig grappig vond heb ik het al twee keer vlaggen gehad. Twee keer! Op veertien dagen. ‘t Zal wel iets zijn van laatst lachen zeker? Ik heb wel erg hard gegiecheld toen…
De wijze woorden “kotspartijtjes gebeuren in verschillende fasen, minimum twee” had ik onthouden, maar je legt een kind vol braaksel niet gewoon terug te slapen met de boodschap ‘Blijf maar wat liggen in dat vochtig pyjamaake vol halfverteerd voedsel tot fase twee achter de rug is…’ Ik moet dat dan opdweilen en propere lakens leggen. Het kind moet gespoeld en in een vers textieltje gewikkeld. Ik doe dan alsof er geen tweede fase bestaat. Vorige week leverde die houding mij een kapsel met brokjes op. Gisteren viel fase twee mee. Voor mij toch. Meneer Ooievaar had minder geluk. Maar die kan in de wasmachine.
Ik bespaar u het aansluitend diareeverhaaltje. U hebt fantasie genoeg…
Maar toen ik vanochtend – met mijn twee uur en achttien minuten slaap – in de douche stond te suffen, besefte ik dat dit enkel het begin is. Kinderen zijn zo. Ze doen dat. Ik ga nog bergen overgeefsel ruimen, kak scheppen en snot vangen. Een kind dat is een beetje als een gefaseerde studentendoop. Je krijgt de stront niet op een nacht te verwerken, maar in porties. Heerlijk toch, die kinderen.
Tadeusz kan er stoer uitzien en overdag ruikt hij cool naar motorolie en babyzeep, maar ’s nachts is hij soms een snikkend hoopje dat mama roept. En dan kan het me niks schelen dat hij stinkt. Dan ben ik zo graag de mama die hij roept…

Ik heb vannacht niet de reflex gehad om al die kots en stront met mijn camera vast te leggen. Daarom dan maar een foto die het andere stuk van het verhaal belicht: het stoere kereltje dat geen vrees kent…
IMG_3504-1-border

Mike

2009 oktober 26

Mijn vader is een man van wenkbrauwen. En van straffe verhalen. Die allemaal waar zijn. Vertellen is een van zijn kunsten. Wat uitzonderlijk is, is dat Mike een ego zonder arrogantie is.

Mike woont in een piepklein huisje. Een groot man in een klein huisje. Dat huisje is een wereld. Waar kamers als landen zijn. Je gaat er op reis en beleeft avonturen. De voorwerpen hebben hun plek en hun taal. Iedere kamer spreekt zijn eigen dialect. En het aanwezige stof is de tijd die er is gaan liggen. De verleden tijd en het nu vallen er soms samen en het voelt aan als tijdloosheid.

Ik kom tegenwoordig vaker bij hem. Omstandigheden brengen ons samen en ik ben daar blij om. Er is niemand zoals hij.
Hij is de camera zo gewend dat hij er weinig last van heeft. Zijn persoonlijkheid is altijd het product geweest dat hij ‘verkocht’. Dus hij is bevriend met de camera. Dat geeft mij de gelegenheid om zijn unieke wereld vast te leggen. Je ziet ondermeer de beruchte ‘Workshop’…

IMG_3685-1-border

IMG_3737-1-border

IMG_3741-1-border

IMG_3628-1-border

IMG_3752-1-border

IMG_3749-1-border

Het voorwerp op de voorgrond in de onderste foto is een door mijn vader zelfontworpen sigarettenrolmachine.
IMG_3691-1-border

Fluisterend beeld

2009 oktober 24

In sommige huizen leven de voorwerpen. Dan lijkt het net of ze vertellen allemaal hun verhaaltjes tegen me. Ze hebben een leven dat verder gaat dan dat van banale nieuwe of mooi opgepoetste spullen. In sommige huizen wil ik foto’s maken. Om het gefluister van die voorwerpen in beeld te brengen.
Natuurlijk doe je dat niet zomaar. Iemand z’n interieur in beeld brengen is een stukje van z’n ziel stelen. Toch als het over iemand gaat die een sprekend interieur heeft. Ik vind het bovendien ook erg moeilijk. Meestal hoor ik op de foto het verhaal niet meer. Dat komt omdat ik het nog niet zo goed kan. Misschien lukt het me ooit wel. Misschien moet ik er eens werk van maken. Mijn plannen tot uitvoer brengen. Ook eens luisteren naar het gefluister van mijn voornemens dus…

IMG_3533-1-border

Stuntman

2009 oktober 22

Wij hebben geen kind, wij hebben een stuntman!

Stadkabouters en elektrische spoken

2009 oktober 20

Wij wonen in een huis met spoken. ‘t Zijn geen serieuze bangmaakspoken of Hollywoodspoken met tanden waar bloed vanaf drupt of veel te lange nagels. Nee, ‘t zijn gewone spoken, zoals er ook gewone huiskabouters zijn. Je weet wel…

Toen ik klein was hadden we Tobie. Tobie was een kabouter. Hij woonde in de bloempot van de grote palm die in de living stond. Tobie was – zoals wel meer kabouters – een weglegkabouter. Hij had een sterke drang om bepaalde essentiële kleinigheden weg te leggen voor een onbepaalde tijd. We zijn zo bijvoorbeeld wekenlang de kurkentrekker kwijt geweest. Of het theeziftje. Je merkt pas dat ze wegzijn als je ze écht nodig hebt. En dan eet je de mouw van je trui op van frustratie. Dat was Tobie. Hij vond daarin een genoegen. Naast een soort verslaving, denk ik ook dat het een profileringsbehoefte is. Hoe laat hij anders weten dat je met hem samenleeft? De ondeugende ondeugd wordt in feite een noodzaak. Zo vergeten wij de kabouters niet en kan Tobie zijn obsessie voor gebruiksvoorwerpen verder botvieren.
Tobie verhuisde met mijn stiefvader mee toen alle gezinsleden hun eigen weg gingen. Enkele jaren later heeft ie een tijdje in mijn auto gewoond. Hij zat in de koffer onder het linkerachterlicht. Ik hoorde hem daar soms ritselen. Nu heb ik ‘m al een hele tijd niet meer gezien.

Toen we in onze huidig stulpje introkken had ik het al vrij snel door. “We hebben spoken, Sven!” riep ik toen mijn badhanddoek zich wonderwel van het haakje naar de pompbak had verplaatst. “Ahzo,” riep hij terug vanuit de slaapkamer (ik heb echt een tof lief.).
In de eerste weken was het nog een soort kennismakingsfase en bliezen ze gewoon af en toe in onze oren. Nu houden ze zich vooral bezig met lampen te laten springen. Op een jaar tijd heb ik misschien al wel dertig gloeilampen vervangen. De vorige bewoners hadden daar overigens geen last van. Toch ervaar ik ze (ik denk dat het er twee zijn) niet als kwaad of boosaardig. Eerder bang dat we hen zullen vergeten… Ik ben wel eens benieuwd wat het zal geven als we binnenkort alleen nog maar spaarlampen hebben. Hopelijk kennen ze Tobie niet…

Toen we hier net woonden kon ik er een een beetje vastleggen op foto…
IMG_3278-2-pola

Monique

2009 oktober 17

Sommige mensen verdwijnen voor jaren uit je leven en poppen dan tevoorschijn, totaal onverwachts. Weliswaar ouder, maar voor de rest nog net dezelfde. En dan lijkt het alsof ze zijn nooit weggeweest. Je herkent hun stem als was het gisteren. De blik in hun ogen is onveranderd.
Ik verbaas me er soms over hoe mensen mij herkennen van jaren en jaren geleden. ‘Ben jij Ysabel niet?’ Ik kijk er altijd van op. Ik heb namelijk zelf heel wat zwarte gaten in mijn herinneringen en bovendien was ik als puber zo met mezelf bezig dat ik nauwelijks oog had voor de anderen. Meestal herkennen mensen mij.
Ik weet bijzonder weinig van Monique. Ik ken haar in feite niet. Maar ze was nog net dezelfde. Toen ik haar terugzag viel het me weer op: soms is het bijna onmogelijk om je te vergissen…
IMG_2445-1-border