Mijn lief zei gisteren in bed, vlak voor het slapengaan, dat ik het had nagelaten om over een aantal zaken te bloggen. Dat ik kansen had laten liggen. Dat hij het wat eenzijdig begon te vinden.
Arrélap. Krijgt dat op uwen boterham vlak voor ge uw ogen sluit. Dat gaat dus niet hé.
‘Hoezo?’ wilde ik weten.
‘Wel ja. Geen foto’s van onze reis naar Spanje bijvoorbeeld.’
Daar lag ik dan. Had ik dat dan moeten doen? En ik had nauwelijks nog tijd gehad om die foto’s te bewerken! En…
Ik wist dat excuses niks zouden veranderen aan de zaak.
Toen ik vanavond de foto’s eens overliep, besefte ik dat ik er eigenlijk nog niks mee had gedaan. Al die herinneringen van die twee weken in oktober lagen daar nog, onaangeroerd. Miskend.
Door alles te bekijken en te bewerken kwam het allemaal weer terug.
Ik herinnerde mij plots weer het kleine huisje in de bergen.
Ik stootte er mijn hoofd tegen een balk.
Het lag vlakbij het einde van de wereld, zo afgelegen.
Ik bleek ook megawagenziek te worden in de bergen. Ook als ik zelf rijd.

Er was ook Boris die zijn angst voor de honden ontdekte. En een klein beetje overwon.

Hij leerde schaken.

Mijn schoonvader die zijn naam achterstevoren in de lucht kan schrijven. Ik was onder de indruk.

De kinderen die genoten van het broederschap, de hangmatten, de bomen, de natuur.



Mooie gesprekken tussen grootvaders en kleinzonen.

Er was dat prachtig, maar gesloten avonturenpark waar Boris een schrikwekkende val deed waarbij zijn tanden door zijn lip gingen. Met veel bloed. En stevige koortsdagen die erop volgden. De val was weliswaar niet van een of andere zotte death ride of zo, maar gewoon op de stenen bij het lopen.

Het vers fruit dat we van de bomen konden plukken. Appels, maar er waren ook perziken. Bijna klotsend van het sap.

Opeens waren daar terug de wandelingen vol schoonheid.



De reis bracht mij ook de ontnuchterende realisatie dat het moederschap een soort intense geprojecteerde hoogtevrees meebrengt voor mij. Niks taaie tante meer. Ik flipte me dood toen ik mijn kinders over de rand zag kijken. Honderden meters diepte. Daar bleken mijn zenuwen precies niet zo goed tegen bestand. Ik werd wat licht in het hoofd van de cocktail van angst en schoonheid (en misschien nog een tikje wagenziekte…).

De zon, het Spaanse licht, het gekabbel van vertrouwde stemmen en kinderen.


Het silhouet van Boris op zijn stoel aan het ontbijt. Gevangen in een zonnestraal.

De mooie stadjes en dorpjes.


De lange ritten in de wagens. De tankstations.


Ik herinnerde me ook het andere huisje (de tweede week). Vochtig en onaangenaam, maar het had een zwembad en mooie kleuren. Tadeusz die welgeteld zes tellen na aankomst zijn kleren al uithad om erin te plonsen. Zowel in het zwembad als in de kleuren.


De zee.
Zo anders dan bij ons.


Opeens herinnerde ik mij weer de kerk. Na die kerk bestaat er geen andere meer. De binnenkant ontnam me de adem. Gaudi. Oh Gaudi.




En het heeft geen zin om me te verzetten tegen de warme schoonheid van Barcelona. Het lijkt cliché, maar het is een stad naar mijn hart.

Het was een reis om niet snel te vergeten. Maar door de verhuis, de ratrace van het leven, de vreemde timing in oktober, was het toch even weggeglipt. Zot.
Ik vind dat mijn lief lief Sventikov in bepaalde zaken wat aan de trage kant is. Maar als hij me niet helpt om soms wat te vertragen, zou ik zoveel armer zijn.
Dankuwel, mijn lief; ik kus u.