Niks zo vervelend als bloggers die bloggen dat ze te weinig tijd hebben om te bloggen.
Ik onderdruk daarom bij deze de neiging om te bloggen over mijn blogtijdfrustraties. U merkt er bijgevolg niks van. Helemaal niks.
U denkt: ‘Goh, blogt die nu weeral?’
En ‘Zeg, die is ook altijd zo goedgemutst, georganiseerd en opgeruimd.’
Kleine variaties in dat soort gedachten zijn toegelaten.
Ik wijs u ondertussen op een kleine pietluttigheid – bijvoorbeeld het haar van mijn kinders – wat de aandacht moet afleiden van lage blogfrequentie, kwalitatieve slabaksels en onsamenhangend gebazel. Het is natuurlijk wel belangrijk dat uw aandacht ook effectief succesvol wordt afgeleid naar de tenen, een grapje of het haar van mijn kinders.
Ik vind dat schoon. Dat haar. Niet dat mijn jongens zo’n uitzonderlijk mooi haar hebben, of zo. Nee, nee. Zo helder van geest ben ik nog wel. Het is heel doordeweeks haar. Gewoon, ietwat saai jongenshaar.
Maar voor mij is het mooi. Omdat het van mijn kinders is. Ik ben de moeder.
Een krulletje hier, een piekje te lang daar, lichte schakeringen. De manier waarop de haartjes over elkaar rollen. Hoe het omhoog wipt bij het lopen. Hoe het plakt tegen hun hoofd als ze zweten. Hoe het zich als zeewier gedraagt onder water in bad. Geen haar ter wereld is interessanter dan dat van hen.
En? Keek u naar het haar? Zag u het ook? De springerige sprietjes, de strepen van de zon? Dan is de afleiding is gelukt. U dacht even niet aan de weinige postjes hier, uw commentaar op mijn schrijfsels, de onderwijshervorming of de onbetaalde rekening. Door het haar van mijn kinders.
Zo gaat dat ook bij mij…
Ik vloek op traag internet, kinderen die weglopen als ze hun schoenen moeten aandoen. Mijn agenda staat te vol. Ik klaag dat er – very eerstewereldproblematiek – teveel jassen aan mijn kapstok hangen. Vervloekte stoplichten, omleidingen, collega’s, afspraken, deadlines, plannen.
En dan opeens is daar het licht in hun haar. Of het vuil onder hun nagels. Gesnurk als ze slapen. Kuiltjes in wangen. Een kusje op mijn hand. Een traantje van de wind.
Ik zeg dan dat ik van ze hou.
‘Jaja, mama. Dat heb je al eens gezegd.’
Maar ik zeg het eigenlijk niet tegen hen.












































