Dagen zonder broek

Het is juni. Nike riep de maand uit tot een rokjesmaand. Het weer maakte de uitdaging alleen nog maar groter. Want juni verspilde al vele druppen aan ons land. Ik schreef een stukje voor haar blotebenenblog. Vandaag te lees aldaar. Maar ook hier. Vanuit een andere hoek:

De Bevrijding

Al die jaren waren wij twee melkwitte pilaren. Pilaren in de duisternis. En wij droegen alle vrouwelijkheid boven ons. Borsten, billen, taille, lange haren. Vrouwelijkheid, alsof we er zelf geen deel van uitmaakten. Wij vertoefden in donkere stoffen pijpen. Verhuld in gewaden die men broeken noemt. In feite een beetje mannendingen. Ooit toch.
Het sturende Hoofd van hierboven koos ervoor, om vele foute redenen, om altijd, iedere dag, een broek te dragen. Voor vele jaren.
Wij, trouwe zusters, bleven zeer lang gespeend van alle licht en liefde. En wij vervreemden van elkaar. We werden steeds doorzichiger, bleker, behaarder en triester.

Maar toen kreeg het Lichaam kinderen. Wij droegen dit veranderende lichaam overal rond. Zonder afgunst, zonder ijdelheid, nog steeds in de gangen der broeken verwikkeld en gescheiden van directe communicatie met elkaar.
We droegen en we droegen, het Lichaam dat steeds zwaarder werd. We droegen dikke borsten, volle heupen, dikke buiken. Er werd gepronkt met buik. Er werd gevloekt op opzichtige borsten. Maar de benen. Nee, de benen, die telden nooit mee. Wij waren louter de blanke slaven van de bovenkant.

Op een goede dag – we herinneren het ons nog goed – kwam er een rok. Een rok? Een rok! We kregen niet echt een uitleg, maar we vermoedden dat het te maken had met een inzicht van het Hoofd dat wij misschien toch konden bijdragen bij elegantie…
Ons bleke vel groette het daglicht. Het haar werd verwijderd. We werden gevoed met crèmes en als zussen werden we herenigd. De benen weer bij elkaar.

Vaak is er een kous. Een zwarte nylon. Maar echt erg vinden we dat niet. Want onze vorm is soms sterker dan onze kleur. En hoe kouser de benen, hoe korter de rok. Dat bevalt ons.
Vaak is er ook geen kous. En dan jubelen we. Nog steeds bleek en half doorzichtig. Maar wel sterk. Van al dat dragen. Trotse dragers van het lichaam. Unieke pilaren, eindelijk erkend. Eindelijk verwend. Want het Hoofd weet nu: schoonheid en vrouwelijkheid, dat begint in het been.

De benen op de foto zijn die van mijn nichtje. Ze heeft een mooi paar.

Te rappe treinen

Ik behoor zeker en vast tot de categorie mensen die te weinig tijd hebben. Ik hos maar van ‘jut naar jaar’ en ik ga veel te laat slapen. Voornemens van ‘om tien uur naar bed’, verwaaien in de wind. Als ik een beetje extra tijd heb, dan zit ik die soms fanatiek te verprutsen met een spelletje Rumble (de nieuwe zoethouder van het moment) of wordt ik aangetrokken door de meest vet bevattende producten uit de ijskast.
Ik functioneer beter met weinig tijd. Mij zie je regelmatig de deur uitrennen met een kop koffie nog in de hand en wapperend haar. En toch…

Tegenwoordig moet het allemaal maar raprap gaan. Zoveel te doen, zoveel leuke dingen te doen, zoveel verwachtingen in te lossen en dromen te realiseren. Als ik terugkijk naar de afgelopen week, dan tolt mijn hoofd.
En wanneer was ik het meest op mijn gemak? Toen ik in de trein zat. Rustig. te wachten tot ik op mijn bestemming was. En het was een boemeltrein. Hij had mij part nog veel langer onderweg mogen zijn. Hij had vertraging mogen hebben zelfs. Maar dat had ie niet. Af en toe een treinvertraging, dat mag er wel wat meer zijn. Dan moet een mens zich neerleggen bij de omstandigheden en de controle loslaten. Da’s in feite niet slecht. Met de juiste instelling is het pure tijdswinst. Want de tijd die je wacht is er niemand die aan je hoofd zaagt, geen taken te verrichten, geen deadlines te behalen. De tijd staat in feite gewoon even stil.

Ik neem natuurlijk maar weinig treinen…

Maar goed. Mijn treinrit van dit afgelopen weekend ging naar den hof van de koning. Met kinderen. Ik had me verwacht aan een moeilijke dag met twee hangerige kleuters en een brullende dreumes in de buggy. Maar het werd een hele leuke dag. Zo braaf dat die pagadders waren!
En de serres van de koning vond ik behoorlijk de moeite. Je voelt hoe de tijd met z’n vingers zit te prutsen aan het ijzerwerk van de serre. Overal bladdert verf af, zijn glaasjes kapot en vuil. Maar het verandert niet veel aan de schoonheid. Dat verval heeft ook veel schoonheid.

Ik wil niet weten hoeveel verwarming ze moeten betalen (zouden zij ook nog bij electrabel zijn?) met al dat enkel glas en al die kieren. De planten stonden er prachtig bij.


Al die pracht werd gretig met de ogen verorberd door de vele bezoekers, maar nu zijn de serres weer toe. Tot volgend jaar.
Nu lopen er vermoedelijk vooral tuinmannen en misschien een verdwaalde verre neef van de koninklijke familie rond. Zou de koning er wel eens komen? Of zou ook hij te weinig tijd hebben? Hij zou er kunnen gaan zitten aan een tafeltje, met een kop koffie en een laptopje. Ideaal lijkt me…

Aan de buitenkant lijkt het soms een panamarenkolitische constructie of een ufo.

Of een glazen, doch vervallen, vogelkooi:

Maar ook de binnenkant heeft leuke details die opvallen. Dit is volgens mij om een raampje open te zetten:

Maar ik zou niet weten welk…

De jongens hadden na de uitstap (we hadden er nog een mini-europa aan toegevoegd en een tijdje staren naar het atomium) nog altijd energie genoeg om de hele treincoupé te vullen met hun gegiechel…









#wijvenweek: ongecensureerd weg-dromen

Gisteren had het over vervlogen dromen moeten gaan. Ik kwam er niet toe. Vandaag zou er een ongecensureerde post moeten verschijnen… De twee onderwerpen zijn volgens mij perfect verenigbaar in één post. Pragmatische oplossing, maar dat vergeven jullie mij wel, denk ik.

Ik heb in het verleden al vaak mijn gebrekkige huishoudelijke en opvoedkundige eigenschappen in de verf gezet op deze blog. Ik deins daar niet voor terug. Ik zie het een beetje als mijn missie om de gangbare ideaalbeelden te ondermijnen en eens niet-perfect te zijn in deze veeleisende samenleving.
Maar zelden laat ik die werkelijkheid in z’n volle lelijkheid tot u komen. Ik verhul het soms achter een mooie foto, of laat het maar druppelsgewijs los, en zo lijkt het of ik mijn verloedering toch nog enigszins onder controle heb. Alsof het toch een bewuste keuze is. Vandaag maak ik dus een uitzondering.
Als mensen mij vragen ‘Hoe doe je dat toch? Bloggen en foto’s maken en kinderen opvoeden en werken en dan nog zoveel projecten hebben?!‘, dan wuif ik dat onachtzaam weg en haal mijn schouders op. Maar het is niet zo dat ik sneller of beter of creatiever of straffer ben. Al die activiteit gaat namelijk àltijd ten koste van iets anders…

Ik maakte een paar rappe ijskoude onesthetische foto’s van de achterkant van de blogwerkelijkheid. De eerste die me daarop pakt, me uitlacht of mijn vriend daarom niet meer wil zijn die krijgt een oplawaai.

U ziet hier ons tuintje. Of toch een stukje. Het is een scheet groot en er is geen gras. Grasmaaien hoeft dus al niet. En toch loopt het altijd mis. Ik steek dat op het feit dat we een bel-etage bewonen. De tuin ligt een halve verdieping lager en daardoor ‘hebben we geen echte band met de tuin’. Als we ooit een tuin hebben op gelijke hoogte met de living dan zal je eens zien!
Wat er op de foto te zien is, is het sluitende bewijs van mijn laksheid en de donkere kant van mijn perfectie. Die bak met groenige vloeistof, dat is het ‘zwembadje’ van de kinderen van vorige zomer. Er zwemt nog een bootje in. Maar dat zie je gelukkig niet. Er is nu in ieder geval wel leven op de boot.
De bladeren achter het levende zwembad zijn van vorige herfst. Of misschien zelfs van die van het jaar ervoor. De lege bloempotten zijn ondertussen flatgebouwen voor pissebedden en spinnen en de tuinslang ligt er ook nog van vorige zomer. En de tegeltjes vooraan zijn in feite geel…

In huis zet ik met de volgende foto de aftakeling van mijn imago voort. De gouden lamp is een restant van de meubelen van mijn grootmoeder, maar die hing indertijd nog niet scheef. Ik steek het op mijn jongste zoon en zal wachten tot ie groot genoeg is om ze te repareren. Ik denk er al lang aan om de gouden voet een ander kleurtje te geven. Gelukkig behoort uitstelgedrag ook nog tot mijn kwaliteiten.
Verder zijn er rond de lamp een paar stukken textiel waar te nemen: de eeuwige kinderkleren. Altijd zwerven er kinderkleren door mijn huis. Ik kan die dingen gewoon niet de baas. Overal losse sokken, broekjes, rompertjes, tutten. Dat lijkt een eigen leven te leiden, rond te wandelen en weg te kruipen zonder dat ik er erg in heb. En erop schelden en roepen helpt ook niet. Nochtans wel al vaak geprobeerd. Maar ze willen niet opgevouwen in de kast gaan liggen.
In en rond de wasmachine is de concentratie meestal nog hoger. Daar lijkt het wat op een invasie. Als ik een tijdje bij de wasmachine vertoef ligt mijn haar nadien altijd in de war… Ik beschouw onze droogkast trouwens een beetje als een kast. Als ik de douche uitkom, dan trek ik vaak de droogkast open voor een onderbroek. En dan ben ik van slag als die leeg blijkt te zijn.

Ik had ook nog beeldmateriaal van de vloer en van een paar schier overleden planten, maar het moet niet al te bont worden, hé.

Dit alles sluit mooi aan bij het thema van gisteren, namelijk de vervlogen dromen. Ik ben geen zestien meer. Ik besef dat mijn jeugd me verlaten heeft om in mijn kinderen te leven. De kleur van mijn haar vlucht weg van mijn hoofd. Mijn huid is niet meer elastisch, maar eerder van plasticine. Ik ben ‘mevrouw’ en niet meer fietfieuw op straat.
Met al dat tanen en verouderen begin ik te beseffen dat er dingen zijn die nooit zullen veranderen. Ik moet dat aanvaarden. Gedrag is bij te sturen en aan te passen, maar veel dingen zullen blijven. Vooral karakterieel. Ik zal altijd chaotisch blijven. Ik zal nooit goed kunnen argumenteren. Ik zal altijd problemen hebben met kleren in kleerkasten te krijgen. Vraag me nooit om een schema te maken. Of verjaardagen te onthouden. Me te oriënteren.
Vroeger dacht ik dat dat allemaal nog wel kon. Veranderingsmogelijkheden waren onbeperkt. Niets stond vast.
En dat is precies mijn vervlogen droom: sommige dingen zijn wat ze zijn. De tijd wint het toch.
Maar die vervlogen droom is tegelijkertijd een hoopvolle opluchting: sommige dingen hoeven niet te veranderen. Sommige dingen zijn wat ze zijn…

Maar een tuintje op ooghoogte, dat hoop ik toch ooit te kunnen onderhouden…

#wijvenweek: de mening

Toen ik mijn huidig lief Sventikov ontmoette wist ik dat ik puur goud in handen had. Een deksel op mijne pot.

Ik wist dat ik tot dan toe een rusteloos leven had geleid. Door de overvloed aan keuzes – eigen aan deze tijd – heb ik vaak gemakkelijke keuzes gemaakt, vluchtig en niet gefundeerd. Ik paste mijn principes aan aan mijn gedrag ipv omgekeerd en fladderde zenuwachtig rond. Ik ben een paar keer serieus in de stront gefladderd.

De tijdsgeest maakte dat je kan kiezen voor een minimalistisch interieur, want als je wil, verander je bij Ikea van stijl voor weinig geld. Ik kon kiezen voor een kunstopleiding, want er is nog volwassenenonderwijs. Ik kon een relatie hebben met Frank, en als er ‘iets’ beters passeerde kon ik nog altijd overstappen naar Kurt… Rusteloos. Vrijblijvend. Oppervlakkig. Ongebonden en verloren in de illusie van vrijheid.

Toen ik mijn lief ontmoette had ik al genoeg inzicht om mijn rusteloosheid te zien, mijn hopeloze machtsstrijd met mannen, de zelf aangeprate verveling in relaties, de gemakzucht. En ik vreesde al voor de dag dat ik mezelf zou overtuigen van het idee dat er toch iets beters voor me klaar zou liggen, iets spannenders, iets nieuwers dan Sventikov.

Vroeger werd je geboren in een dorp. Je had daar den beenhouwer, de kapper, de visboer. Je groeide op in een kringetje met een handvol leeftijdsgenoten. Je koos voor dactylo of huishoudkunde. Je trouwde uiteindelijk met de zoon van de visboer. Gewoon omdat dat logisch was. Dan pas ging je samenwonen. Dan pas kon je zien of je eigenlijk bij elkaar paste. En daar bleef je dan bij. Je maakte wat kinders, nam de zaak van de visboer over en als er eens ambras was dan loste je dat op. Content of niet, zo ging het. Het is misschien wel heel simplistisch, maar veel keuze hadden mensen vroeger niet. Je ging niet uiteen, want dan sprak men schande. Je nam de meubels over van je overleden grootmoeder en was daar blij mee. Je maakte spaghetti zoals je dat geleerd had van je moeder. Je dacht niet na, je deed gewoon. Bepaalde keuzes hoefden niet gemaakt te worden omdat ze niet tot de mogelijkheden behoorden.

Ik besloot mezelf ‘uit te huwelijken’ aan Sventikov. Ik besloot dat de optie ‘uiteengaan’ niet zou bestaan. Ik zou, zoals zovele andere vrouwen op de wereld, mijn man aanvaarden, en ondanks problemen toch altijd een weg zoeken om het te laten werken. Ik ontnam mezelf ‘de keuze’. Waar ik vroeger bij het minste probleem mijn biezen pakte, daar had ik mezelf nu vastgeketend aan die ene beslissing waar niet op teruggekomen kon worden.

Je kan niet geloven wat een rust dat geeft. Ik kan staan briesen van woede, in alle andere mannen meer voordelen zien, met deuren gooien en hem vervloeken. Maar buitengooien kan ik niet. Want hij is mijn man. We zijn niet getrouwd en dat hoeft voor mij ook niet. Ik vink gewoon een paar opties af.

Mijn mening? Dat de samenleving de vrijblijvendheid promoot. En dat dat verarmt. Arme jeugd van tegenwoordig. In de overvloed aan keuzes nooit tot echte keuzes komen.
En Sventikov? Dat is mijn gouden deksel.

Hier links met zijn vader:

Hier verstopt achter het zoontje:

#wijvenweek: maskers af: dag 1

Maandag 12 maart. Het is #wijvenweek. Vrouwen die bloggen. Zonder maskers. Een hele week lang, iedere dag bloggen. Rauwe werkelijkheid. Verloren gewaande geheimen. Thema van vandaag: Beautyqueen in het diepst van mijn gedachten…
Wat zit achter de facade? Hoeveel kraaiepootjes lopen er rond op ons gezicht? In hoeveel richtingen staat ons haar als we ‘s ochtends het bed uitstrompelen…

Ijdel ben ik wel een beetje. Ongeschminkt zal ik hoogstens snel de vuilbak buitenzetten, echt ver zal ik niet lopen zonder oorbellen of mascara. Ik vind het belangrijk om goed over te komen. Als het even kan. Zowel fysiek als sociaal. Tussen het bed en de eerste koffie zit een heuse gedaanteverwisselingstruc. Zonder die truc zou mijn leven er desastreus anders uitzien. Ik sta er soms zelf van te kijken hoe straf sommige trucjes zijn. Het vraagt soms bloed, zweet en tranen, maar er zijn zelfs mensen die denken dat ik mij niet schmink. Hahahaha. Gefopt! Ze moesten eens weten. En dat is nu precies wat ik placht te doen met al dat ‘oplappen’. Ik wil dat je het niet ziet.
Ik? Ik kom ‘s ochtends zo uit bed hoor! Helemaal naturel! Kan je je voorstellen hoe goed ik er zal uitzien als ik me zou schminken!

Kinderen zijn geen voordeel als je ijdel bent. Ze kwijlen op je kleren, zetten de wallen onder je ogen nog wat aan met slapeloze nachten en verstoppen je lippenstift. Het zijn extra obstakels op de weg naar de perfectie. Verstoorders van het beautyqueenschap. En zij doen nét het tegengestelde van wat ik zou willen doen. Stel je voor dat opgroeien alleen een fysieke gebeurtenis was, en dat onze mentaliteit en ons gedrag niet zouden meegroeien. Het schminkzakje uit de badkamer zal niet echt volstaan om dat te compenseren. Zie je het ons al doen?

Een halve koek eten en de rest, na die eerst goed bekwijld te hebben, uitsmeren in de zetel.
Een plas zien en er een kwartiertje in gaan dabben.
In je broek kakken terwijl je een appelsapje drinkt.
Luid zingend rond de tafel rennen en tot je struikelt.
In een restaurant met het bestek op tafel meppen en brullen dat je NU FRIETJES WIL EN ALLEEN MAAR FRIETJES!
In bed liggen en eerst nog een uurtje dramatisch wenen, met bijhorende sterfscène.
Snottebellen met je tong uit je neus proberen likken.
Je t-shirt achterstevoren aandoen en daar erg trots op zijn.
In de tram met een soldaatje op het hoofd van uw buurman kloppen.
Geen bezwaar zien als er nog confituur in je wenkbrauw hangt.
Geen onderscheid maken tussen stenen en sigarettenpeuken bij het verzamelen.
Je handschoenen in een slijkplas onderdompelen om te zien wat dat geeft.
Dolgelukkig zijn met een banaan.
De deur van het café openzwaaien en luid roepen: ik moet kaka doen!
Met een stift vooral nààst het blad kleuren. En misschien ook nog een beetje op de muur. Of op een toetsenbord.
Eens uitgebreid proeven van het zand aan de voordeur. En de takjes daartussen.
Je mond afvegen met de mouw van je trui.
Bang zijn van de boze wolf.
Moord en brand schreeuwen als er kaas tussen je boterham zit terwijl je paté wilde. Ook al heb je die zelf gesmeerd.
Hetzelfde grapje een zestiental keer achtereen vertellen.
Als twee mensen praten er gewoon tussenkomen en vervolgens aanhoudend de naam uitspreken. Kwaad worden als die persoon niet onmiddellijk luistert.
Op de grond gaan liggen in de supermarkt als je favoriete youghurt er niet is.
Van de dorpel springen en roepen ‘ik ben supercool!’
Iets dat je niet zo lekker vindt gewoon uit je open mond laten vallen.
Lippenstift smeren tot aan de oren.

Als je me een van de dagen tegenkomt en blijkt dat mijn haar niet helemaal goed ligt, of er is een vlek op mijn broek, bedenk dan even hoeveel erger het had kunnen zijn en wees dus dankbaar…

Grote zoon

Iedere keer als ik mijn oudste zoneling een paar dagen niet gezien heb dan is ons wederzien een soort van herontmoeting. De klank van zijn stem, de woorden die hij kiest, de vorm van zijn gezicht. Het zijn allemaal dingen die ik dan een heel klein beetje anders lijken dan voordien. Ik moet mij – in die eerste ogenblikken – ervan vergewissen dat het wel echt mijn zoon is die daar zit.
Door hem een paar dagen niet te zien kwam ik erachter dat hij in feite een beetje een dikkige neus heeft. Die van zijn vader. Dat had ik voordien nooit gezien. Ik geloofde stellig dat hij een fijn schattig neusje had. Maar met nieuwe ogen bleek dat dus een vergissing.
Soms vind ik dat hij al heel groot en volwassen is, een halve man al bijna. Totdat ik hem terugzie als hij een nachtje bij de bomma geweest is. Dan hoor ik plots hoe hoog zijn stemmetje is en hoe kwetsbaar zijn fantasie; als zijn vliegtuig neerstort of als zijn tent een iglo is…
Op een ander moment vind ik soms dat het een echte kleuter is, kinderachtig, flauw en aanstellerig. Tot hij dan van school komt en me vraagt of ik al wat beter ben, want ziek zijn is niet leuk. Dan besef ik dat hij al een heuse compagnon is in het leven, en niet per se altijd een zeurend blok aan mijn been.

Nu is hij naar zee. Naar mijn schoonouders. De stilte in huis is heerlijk. Maar die kleine handjes die de mijne zoeken als we buitenlopen; de afhangende schoudertjes als ie naar tv kijkt; zijn onsamenhangend gezang als ie in de douche staat. Dat mis ik wel.
Allemaal dingen die ooit in mijn buik zaten als een vage belofte. En nu komt dat er allemaal uit. Dat is toch wonderlijk mooi…

Op foto’s lijkt hij altijd ouder. Zo is dat vaak met kinderen, vind ik. Je hoort hun gezeur dan niet zo, hun hoge stemmetjes en krakkemikkige zinsbouw. Ze bewegen dan ook niet zo klungelig…

Onstuimige zee vol broertjes

Afgelopen week las ik in de krant dat er zoveel ‘kleine broertjes’ zijn die ons in ‘t oog houden en die aan onze privacy knagen tot deze begint te rafelen. Sociale media, virtuele exposure. Niet één big brother, maar een veelheid aan meekijkende oogjes. Ik las het artikel niet uit, maar het is wel boeiende materie. We hebben nu zoveel ‘waarnemers’, al dan niet met goede bedoelingen. Met 1984 zat Orwell er niet zover vanaf. Maar het is niet één slechte grote broer geworden. Het zijn er dus veel. En ze zijn niet allemaal even slecht. Een tikje complexer dus, die hedendaagse werkelijkheid…

We instagrammen zelf dat we op een (t)wunch zitten en twitteren en facebooken dat het een lieve lust is. We tracken onszelf met foursquare. We bloggen de details van onze wat saaie avonturen met veel verve. We geraken zo gewend aan een ‘publiek’.
Dat publiek was er vroeger niet. Toen aten we gewoon spaghetti en onze vrienden wisten dat niet. Nu weet iedereen het. Je zegt het op facebook, toont het op instagram, meldt op foursquare waar je het eet en je twittert er korte onliner over. En dan schrikken we dat we morgen een vage kennis tegenkomen in de supermarkt die ons vraagt of het lekkere spaghetti was.
Publiek is een van de redenen dat ik blog. Ik functioneer beter met publiek. Ik denk beter na, schrijf beter, maak leukere foto’s. Als er mensen zijn die zien wat ik doe til ik mezelf op. Het daagt me uit. Als ik beter presteer ben ik contenter van mezelf. Ah, ik mag er zijn, ik ben oké, ik voel me niet afgewezen, maar aanvaard. Allemaal heel ‘oergevoelig’, en onschuldig in feite.
Maar als die informatie door anderen wordt misbruikt, oeioeioei, dan raakt men aan onze privacy…

In veel opzichten gedragen we ons nog als kleuters als het over het digitale tijdperk gaat. En dat is logisch, want digitaliteiten, dat bestaat nog maar net. We zijn dus effectief nog een beetje kleuters. We doen maar op, zonder echt stil te staan bij de consequenties, we spelen graag en gaan met iedereen mee die ons iets lekkers aanbiedt. We worden al een beetje voorzichtiger, maar nog altijd trappen er veel mensen in grote vallen: sekstapes op youtube, viezeriken op chatforums, blonde russische schonen die harten en geld stelen. Werkgevers die zatte foto’s gaan spotten op facebookaccounts. En dan zijn we kleuters met grote problemen.

Ik peins daar soms wel over. Wat gooi ik de wereld in en wat niet. De virtuele zee slokt verhalen immers op als ware het kleine weerloze schipbreukelingen. Ik beschouw mijn openbaringen als flessen met boodschapjes die ik te water laat. Ze kunnen domweg zinken, naar een ander continent drijven en harten stelen, ze kunnen opgepikt worden door een grote boot en gebruikt worden voor boosaardige doeleinden. Er kan mee gelachen worden, misschien worden de verhalen herkend en begrepen. Maar waarschijnlijk laten mijn boodschapjes de wereldzee geheel diepzeekoud.

De informatie die ik de wereld inwerp wordt gefilterd, genuanceerd, soms een tikje gefictionaliseerd, maar meestal niet. Maar u krijgt niet alles direct of onversneden te lezen. Ik voel mij klote vandaag, slecht in mijn vel, somber en mislukt. Maar dat vertel ik niet. Ik zal daar niet over reppen. Ik maak ruzie met mijn lief. Dat hoeft u niet te weten. U mag weten dat ik soms ruzie maak, maar niet àls ik ruzie maak. Wat ik prijsgeef is berekend. U mag weten dat ik mijn kinderen soms liefst met een raket naar de maan stuur, maar ik zal u dat niet vertellen als ik echt op het punt sta om dat te doen (maar soms wél de volgende dag). Op mijn blog ben ik een soort moederkoningin met een kleurrijk leven en overzichtelijke problemen. Maar in feite ben ik dus een kleuter met saaie problemen, dobberend op een zee vol gekke broertjes. Of het haaien zijn, dat weet ik niet. Ze hebben wel scherpe tandjes. Maar ik soms ook. En momenteel knaagt er niks aan mijn tenen…

U krijgt bij wijze van niet bijpassende illustratie een greep uit de beelden van de week die ik uit de stad wegkaapte met instagram:

Over het thema in het nieuws: hier. Maar het artikel dat ik gelezen heb, vind ik niet terug…

Het schommelen van de tijd

Op de schommel waait de tijd door je haren. Bij iedere zwaai ben je jonger. Heen en weer. Op en neer. Er is alleen nu. En een beetje wind in je oren. De koele ketting in je handen. Los van de wereld. Een zwier naar nergens. Een kriebelkreet af en toe. Een piepje in de scharnieren. Verder vlieg je in stilte. Als de slinger van een klok. Je schommelt de tijd achteruit.
Je voeten boven je hoofd. Soms een flits: wat als ik nu loslaat?
Steeds leger worden, essentiëler woden, blijer worden…
Schommelen is in feite mediteren voor kinderen…

En die ouders maar duwen.

Een greep uit de toutermomenten van de laatste weken. Het meest zwierig plezier bevroren in foto’s…

Welkom crisis!

We moeten allemaal bang zijn. Bang voor een overval, bang voor ziektes, bang voor onze kinderen, bang voor de crisis. Soms een beetje bang voor vreemdelingen. En gifstoffen in de grond. Voor pedofielen en scheve tanden. Bang om onze job te verliezen. Bang om te vallen (hier in huis hebben we daar wat minder problemen mee). Bang dat we iets tekort zullen komen. Bang voor de banken. Bang van dictators.
Het wordt in feite tijd dat we die crisis eens beginnen te voelen. Altijd maar dat bang zijn. Als konijntjes in een hoge hoed.

Ik ben van job veranderd. Ik deed vandaag mijn laatste dag op mijn oude job en ik zal naar een halftijdse betrekking gaan, met moeilijkere uren, waar ik waarschijnlijk ook minder zal verdienen. En daar ben ik eigenlijk erg blij om.

Als kind hadden ‘wij’ geen centen. Als we iets wilden moesten we er iets anders voor laten. Ik kreeg mijn kleding voor Kerst als cadeau (soms). Mijn moeder en stiefvader deden daar nooit zielig over. Ze waren realist en niet flauw. Ze klaagden niet dat het altijd te weinig was. Het was eerder zelfs een soort gezegend zijn. We waren gezegend met armoede.
Toen ik alleen ging wonen voelde ik duidelijk dat ‘weinig geld hebben’ zeker nadelen had, maar ik wist de voordelen ook te appreciëren. Ik genoot van simpele maaltijden, van een koffie op een terras. Een cadeau krijgen kon me echt blij maken. Het was een plezier om de maand te ‘overwinnen’. Natuurlijk kon ik niet op reis en als de computer kapot ging kon er niet direct een nieuwe af. Een auto kon ik me niet permitteren en ik voelde veel sneller prijsstijgingen of sociaal onrecht. Cultuur moest ik zelf maken of het kwam nauwelijks tot bij mij. Maar ik was creatief en wakker en het was een van de meest gelukkige periodes in mijn leven. Tomaten smaakten naar tomaat. Ik was vitaler en gemotiveerder. Ja, natuurlijk ook wel een beetje jonger, maar toch…

Nu ben ik rijk. Niet rijk rijk natuurlijk, maar wel rijk genoeg om een auto te hebben, dure biovoeding te kopen, mijn kinderen cadeaus te geven die ze willen. Ik kan mezelf een nieuwe camera aanschaffen zonder dat ik me zorgen moet maken over de prijs.
Ik ben lui en vadsig geworden. Op een slechte dag hobbel ik als een arrogante pinguïn door de winkelstraten om iets te kopen. Een goed humeur uit een product proberen puren. Een quick fix.
En ik voel de schrik dan in mezelf groeien. Oei, minder verdienen. Gaat dat wel lukken? Oei, waar kom ik dan terecht? Hoezo ik moet opleggen bij de belastingen? Zou ik niks kunnen verdienen met dit of dat?

Tot gisteren. Ik zat bij mijn stiefvader koffie te drinken in zijn krakkemikkige keuken en ik voelde plots terug de vrijheid van ‘minder’. Ik vind het jammer dat ik mijn kinderen de waarde van spullen alleen maar kan ‘uitleggen’. Ik vind geld soms een gebrek bij opvoeding. Want het vormt hen.
Ik hoef natuurlijk niet arm arm te zijn en bitter over die armoede, want dan krijg je van die kinderen die de jacht op het grote geld openen. Maar gewoon een beetje mate, een beetje ‘zorg’, daar worden we alleen maar beter van. Denk ik. Ik, mijn kinderen en mijn omgeving.
En iedere keer als mijn fantastisch lief Sventikov met de lotto meespeelt zit ik te hopen dat we maar niet winnen. Stel u voor seg

Alléekom, waar blijft die crisis? Weg met de angst.

Keek op de week

In een wolk van paracetamol hang ik voor mijn scherm. De griep velde me opnieuw. Op nog geen maand tijd ben ik al tweemaal gevloerd door een virus dat ik met niet kan zien. Maar ondanks de onzichtbaarheid weet het dingetje zich wel kenbaar te maken. Ik denk dat het alleen maar bij deze dag boordevol ledigheid zal blijven. Ik heb vandaag zo hard genikst dat mijn lijf zich optimaal met terugvechten heeft kunnen bezighouden.
Nu, vlakbij middernacht, geef ik nog wat beeld mee van de afgelopen tijd. Een soort keek op de week. Maar ik denk dat sommige dingen al wat langer geleden zijn dan een week.

Ik passeerde aan de Antwerp Tower. Ik zag daar een reusachtige rups het gebouw beklimmen. Dat ik er nadien niks van in de krant heb gelezen verbaast me nog steeds:

Ik ging afgelopen weekend naar de derde editie van Tapas & Ropas. Een kledingruil met simpele en weinig directieve regels. De genialiteit van dit simpel concept wordt keer op keer bekrachtigd. Ik stel voor dat er overal in Vlaanderen en daarbuiten Tapas & Ropas’en georganiseerd worden. We zouden allemaal veel contentere vrouwen zijn. Het kost nauwelijks tijd, bespaart geld en moeite, versterkt contacten, doet nieuwe gelijkgezinden ontmoeten en is goed voor het zelfbeeld. Ik liep er wederom buiten met een hele nieuwe garderobe, die me niks gekost heeft, en ik werd bevrijd van al die miskopen en vergeten kledingstukken die in de hoek van de kast alleen maar stof maakten.

Op de terugweg passeerde ik aan Park Spoor Noord waar een instagramkiekje in de vlucht gemaakt werd. Ik vind dat het een platenhoes is. Nu alleen nog muzikanten vinden die er de muziek bij maken:

De volgende dag was ik wreed in mijn nopjes met mijn Dries Van Noten-rok (een zeer zeldzame foto van mezelf op deze blog!):

En ik dronk koffie met de immer schone Florence. Die haar schone Diana bijhad:

Alleeja, koffie is misschien een groot woord. Het was eerder een vloeibaar snoepje in een groot glas. Soms moet een mens er eens volledig over kunnen gaan. Alle remmen los. Heerlijk! (dank u Normocoffee!):

En als ik niet aan het werk was of met mijn kinderen aan het worstelen, dan heb ik wat gespeeld met de iPhone en geknutseld met de beschikbare apps:

In feite mag ik niet klagen. Mijn leven gaat goed. Ik begin volgende week op een nieuwe job waar ik veel zin in heb en die griep, die krijg ik er wel onder.