Iedere keer als ik mijn oudste zoneling een paar dagen niet gezien heb dan is ons wederzien een soort van herontmoeting. De klank van zijn stem, de woorden die hij kiest, de vorm van zijn gezicht. Het zijn allemaal dingen die ik dan een heel klein beetje anders lijken dan voordien. Ik moet mij – in die eerste ogenblikken – ervan vergewissen dat het wel echt mijn zoon is die daar zit.
Door hem een paar dagen niet te zien kwam ik erachter dat hij in feite een beetje een dikkige neus heeft. Die van zijn vader. Dat had ik voordien nooit gezien. Ik geloofde stellig dat hij een fijn schattig neusje had. Maar met nieuwe ogen bleek dat dus een vergissing.
Soms vind ik dat hij al heel groot en volwassen is, een halve man al bijna. Totdat ik hem terugzie als hij een nachtje bij de bomma geweest is. Dan hoor ik plots hoe hoog zijn stemmetje is en hoe kwetsbaar zijn fantasie; als zijn vliegtuig neerstort of als zijn tent een iglo is…
Op een ander moment vind ik soms dat het een echte kleuter is, kinderachtig, flauw en aanstellerig. Tot hij dan van school komt en me vraagt of ik al wat beter ben, want ziek zijn is niet leuk. Dan besef ik dat hij al een heuse compagnon is in het leven, en niet per se altijd een zeurend blok aan mijn been.
Nu is hij naar zee. Naar mijn schoonouders. De stilte in huis is heerlijk. Maar die kleine handjes die de mijne zoeken als we buitenlopen; de afhangende schoudertjes als ie naar tv kijkt; zijn onsamenhangend gezang als ie in de douche staat. Dat mis ik wel.
Allemaal dingen die ooit in mijn buik zaten als een vage belofte. En nu komt dat er allemaal uit. Dat is toch wonderlijk mooi…
Op foto’s lijkt hij altijd ouder. Zo is dat vaak met kinderen, vind ik. Je hoort hun gezeur dan niet zo, hun hoge stemmetjes en krakkemikkige zinsbouw. Ze bewegen dan ook niet zo klungelig…

