Hoewel ik een echte stadsmens ben en graag in de stad woon, zie ik mezelf toch graag als een vriend van het groen. In mijn jeugd beklom ik menig boom, maakte ik matjes van bladeren en kende ik toch heel wat vlinders en bloempjes bij naam. Maar door mijn versteende blik in een betonnen stad ebde de voeling met die natuur wel wat weg. In onze zoektocht naar een huis wordt regelmatig de discussie heropend of we toch maar niet naar ‘den buiten’ moeten trekken. Iedere keer kets ik het idee weer af: uren in de file, iedere dag, om dan met de ogen dicht (want al die uitlaatgassen moeten toch ontkend worden) toch achter de computer te gaan zitten. En waarschijnlijk zou ik de stad missen. Niet dus.
Maar als ik er kom, in dat groen, dan gebeurt er toch wel iets met me. Ik geniet zo van dat beetje gras. Ik word vrolijk van elk plantje. Mijn liefde voor de natuur sluimert ergens in mijn binnenste en heeft maar een klein zetje nodig om terug in passie te ontvlammen. Ik wil toch zeker een huis met een tuin…
Ik was vandaag bij vrienden, in Zoersel, en waande me weer in het paradijs. Soms drijf ik zo ver af van de natuur dat ik er van vervreemd.
Ik weet nog dat ik eens op bezoek ging bij iemand en die hadden twee schapen in de tuin. Ik was daar dus echt compleet niet goed van! Ik heb een half uur naar die dieren staan wijzen; kon alleen nog maar ‘Schaapschaap! Schaap! Schapen!’ brabbelen. Ik ben toen op mijn knieën gaan zitten bij die dieren. Toen ik er een gesprek mee wilde aanknopen zag ik plots hoe raar die beesten eigenlijk zijn. Ik kreeg de slappe lach. Ik werd er nadien zelfs wat bang van (die horizontale pupillen zijn echt wel creepy hoor als je ze diep in de ogen wil kijken). Ik ben daar weken door van slag geweest. Het was alsof ik nooit eerder een schaap gezien had. Sindsdien ben ik nogal op mijn hoede in de buurt van schapen. Dat is voor mij in feite té exotisch binnenland. Hier waren nu geen schapen. Wel kippen, maar die heb ik wijselijk genegeerd. Anders was ik misschien toch nog de kluts kwijtgeraakt als ik had beseft dat die dingen eieren leggen. Stel u voor. Dat komt gewoon uit die hun poep!
Maar goed. Zoersel was vandaag gelukkig niet te choquant voor deze stadsmus. Het was gewoon een tuin met licht en zon en gras en courgetten en sla erin. Ik vond het heerlijk. Ik was weer verwonderd over de mogelijkheden. Ik at een maaltijd die uit de tuin geplukt was (alleen de pasta niet) en ik at het in de tuin. Boris at van het gras. Woelde met zijn handjes door de aarde. En de zon gaat er later onder dan thuis. Da’s omdat ze die zonnebloemen nog moet voeden…
De zonnebloemen op hun weg naar de hemel:

Baby Boris in het gras:

Een nog groen tomatenwonder:

En the owner of the place, kleine Jules, voor wie gras en groenten zo gewoon zijn dat ie nu al weet welke bloemen giftig zijn en welke niet. En hij kan een stadsmens van kilometers ruiken:
