groeien

Wereldbeeld met kinderblik

Daar gaan ze weer.
Vliegend, schaterend, rollend.
Boos op pijn. Stoute schommel.

Soms overvalt me het besef dat ze nog zo weinig weten. Ze weten nog niet hoe groot de wereld is. Er moet nog zoveel in hun hoofd. Romeinen, Bach, het dopplereffect, vierkantswortels.
‘Hoe lang is duizend jaar?’ Leg dat maar eens uit.
‘Zijn er nu dan geen ridders meer? En piraten?’
‘Euhm. Jawel er zijn nog wel piraten. Maar niet zoals jij denkt.’
‘Oorlog!’ roept Tadeusz als ie een soldaatje ziet in een boek. ‘Oorlog gaat nooit dood!’
‘Waarom wonen molletjes onder de grond?’ wil Boris weten.
De uitleg dat mollen niet in huizen wonen bevredigt niet. ‘Maar waarom dan?!’

Ik zie hun kennis groeien. Er sijpelt hier en daar al eens een Romeintje binnen. Een besef dat kaka ooit eten was. Dat flauwvallen een soort van slapen is. Een nieuw woord. Verbrandingsoven bijvoorbeeld.
Hun wereldbeeld groeit gestaag. Het wordt fragmentarisch bijeengesprokkeld door hun zachte sponzige geest.

Ik deed hen de uitleg over onze plasticverminderactie. Tadeusz luisterde aandachtig. Maar de informatie hangt daar in zijn hoofdje zonder een duidelijk wereldbeeld om dat allemaal aan vast te hangen. Het zweeft. De kans dat het dan snel wegzweeft is reëel.
Ik wil hen uitleggen dat ‘lapmiddelen’ niet helpen, dat we eigenlijk groter moeten denken. Dat de mens niet moet denken dat ie op dezelfde manier kan blijven leven en tegelijkertijd de wereld kan redden door een paar kleine aanpassingen te doen. Dat er fundamentele wijzigingen moeten komen. Dat het er niet goed uitziet.
Maar hij kijkt alweer naar het klimrek, de schommel.
‘Wiehoew!’ roept ie als ie wegloopt.
Even later spreekt ie me wel streng toe. Dat auto’s wel niet goed zijn voor de wereld. Dat ik beter met de fiets zou gaan. Dat het van Antwerpen naar Mechelen is vindt hij geen goed argument. Ik kan het hem niet kwalijk nemen. Afrika ligt immers ook maar een centimeter of drie van België in de atlas…

IMG_0870

Wie weent wordt wijs

Dat het niet gemakkelijk is, groot worden. Zoveel is duidelijk. Als ik Tadeusz, sinds dit weekend dus 4 jaar, door het leven zie kronkelen dan zie ik dat. Tegenwoordig krijgt hij van die onredelijke uitbarstingen, woedeaanvalletjes met veel theatrale gebaren. Hij beent soms stampvoetend weg met de tranen in zijn ogen. Omdat hij zijn schoenen moet aandoen. Of omdat die ene lepel vuil is en hij met een andere moet eten. Omdat hij geen snoepje krijgt. Of omdat het licht aan is.
Als ik dan vraag: Waarom ben je zo boos?
Zegt hij: Ik bén niet boos. Ik ben verdrietig!
Als ik hem dan uitleg dat hij zich vergist, dat hij wél boos is, dat hij zijn woede existentieel lijkt, maar dat het theatrale aspect niet echt bijdraagt tot de oplossing, dat zijn gedrag alle facetten van het boos-zijn beslaat en slechts weinige van het verdrietig-zijn, gooit hij er vaak nog wat boze uitspraken achteraan:
‘Ik ben verdrietig, en als ik moet kiezen ga ik jou niet meer kiezen! Ik vind jou niet meer leuk!’

Op andere momenten kan hij soms hartverscheurend huilen. De tranen bengelen dan over zijn gezichtje. Soms omdat papa hem met strenge stem terecht heeft gewezen, of omdat ie valt en schrikt, of omdat mama opeens boos is. En dan huilt hij hartverscheurend.
Als ik hem dan zeg dat hij niet zo verdrietig hoeft te zijn, dat het zo dadelijk wel terug goed is als ik de redenen van zijn verdriet aanhoord heb, dan zegt hij soms snikkend:
‘Ik bén niet verdrietig, ik ben bòòs!’

Veel mensen zijn grootgebracht met het idee dat emoties tonen zwak is. Dat wenen niet flink is. Dat je je moet beheersen. Ten allen tijde.
Ik vind dat een beetje triest. Van opgesloten emoties komt zelden iets goeds. Als een kind zijn gevoelens moet wegsteken omdat zijn ouders er niet mee omkunnen, dan krijg je veel vragen in kleine hoofdjes en onterecht miskende persoonlijkheden.

Ik hoop van mijn kinderen emotioneel gezonde wezens te kunnen maken. Ik hoop dat ze zich zullen kunnen uiten, dat ze weten dat ze er mogen zijn ook al zijn ze bang of verdrietig of verliefd of boos. Het mag er allemaal zijn. Als ze er maar iets mee kunnen, als ze maar niet verstrikt geraken in hun eigen gevoelsleven en verdrinken in theatraliteit of zelfmedelijden. Ik hoop dat ze sterk worden. Niet hard.

Maar ik zal al blij zijn als mijn kleine zoon Tadeusz al weet wat precies boos-zijn is en wat verdrietig-zijn…

Lievelingsmensen

Daar trok een nevelsliert van zomer voorbij. Om te tonen hoe deze zomer had kunnen zijn. Zwoel en warm en plakkerig op een goeie manier. Dit weekend was de zomer van 2011. De kinderen zaten in het water als ze niet op mijn fiets zaten en ze waren helemaal zichzelf…

Toen ik voor het eerst zwanger was, zeiden velen: ah, nog even en jullie zijn met drie!
Ergens klopt dat wel, maar zo’n eerste wurm is in het begin vooral nog passief wezen. Het gooit je leven natuurlijk om en heeft wel een karakter in zich, maar de echte persoon blijft nog ver weg. Eigenlijk ben je, als verse ouders, eerst nog een hele tijd met twee. Er is alleen een levend diertje dat in je buurt zit te wriemelen en te kreunen. Meer is het niet. Nauwelijks een huisdier. Die lopen tenminste nog rond.
Een aantal maanden kan je nog met je lief babbelen over intieme dingen, je hoeft nog niet echt op tijd thuis te zijn, je kan nog romantisch op restaurant (als de buggy door de deur kan). Je betaalt daar twee maaltijden. Geen drie. Zo’n baby pist en kakt zijn rompertjes vaak wel aan een toptempo vol, maar het is allemaal zo klein dat je er nauwelijks een extra wasmachine voor moet draaien. Het is pas na een tijd dat de persoonlijkheid van zo’n nieuwe mens mee begint te tellen. Eerst doordat ze zwaarder worden en harder roepen en met hun glimlach alle vrouwelijke omstaanders in boter weten te veranderen, maar op den duur ook doordat je een extra kindermaaltijd moet bestellen en omdat ze mee hun kleren beginnen kiezen en omdat je merkt dat ze aanhankelijk zijn, inventief, ritmisch of koleriek.
Pas nu, nu Tadeusz drie en half is, ervaar ik echt dat hij iedere dag meer mens wordt. We gaan samen op stap, voeren gesprekken, maken grapjes. Hij helpt me zoals alleen mensen dat kunnen; hij houdt de tuinslang vast terwijl ik de kraan openzet. Ik pak glazen uit de hoge kast en hij neemt ze onderaan de trapladder aan. Hij neemt de was mee naar de badkamer. Uit dat bolle gezichtje en de mollige beentjes komen stilaan echte vormen naar voren. Gelaatstrekken, lichaamsbouw. Als je al dat babyvet eraf haalt blijkt er een man onder te zitten. Hij discussieert, hij heeft een lievelingskleur. Hij komt naar me toe en zegt dat hij blij is om me te zien. Soms overvalt het me ineens: potverdorie, ik heb een echte mens gemaakt!

En wat zal er – in hemelsnaam – uit dit onderstaand patatje groeien?!

(Laat ons hopen dat de pleister op zijn wenkbrauw geen voorbode is! Bloed, spoed, plakker. Dat hoeft voor mij niet iedere week…)

De macht van de mannen

De wereld is vandaag veranderd. Twee mensen hebben zich bekwaamd. Het mag onbenullig lijken, maar vergis u niet! Het verandert alles. Vanaf nu zal de wereld daveren. Omstaanders zullen sidderen van ontzag, vijanden zullen wegkruipen in het donkerste duister van hun angst! Deze twee mannen, met hun nieuw verworven vaardigheden en hun buitennatuurlijke krachten, zijn klaar voor heldhaftige daden. Hip hoera!

Wapenfeit 1:
Tadeusz de Dappere smeerde een boterham. Eigenhandig! Zonder hulp van buitenaf en met een meedogenloos wapen! Hij toonde geen vrees, maar louter lef en doorzettingsvermogen. Dat zijn cape aan de verkeerde kant van zijn nek hangt is slechts een detail. Bij de volgende boterham zal zijn cape wapperen in de wind en zal de vegetarische paté als een spiegel op het brood liggen. Hoezee!

Wapenfeit 2:
Boris de Onoverwinnelijke stapt! Bij het ochtendkrieken zat er niets dan vastberadenheid en vaste tred in hem. Hij besloot het juk van de afhankelijkheid van zich af te gooien. Vanaf vandaag ligt de wereld aan zìjn voeten in plaats van omgekeerd! Hij draafde vlotjes drie meter, onverschrokken. Dat de camera slechts een vage en zeer korte flits toont, zegt alleen maar iets over de ondeskundigheid van de filmer. (En nadien wandelde deze held nog vele meters. Zo bescheiden is ie dat hij het liever buiten beeld doet). Maar onthoud: Naast de beklimming van alles wat hoog is, zal Boris vanaf heden ook alles wat ver is trotseren! Jochei!

Groot worden

Leg ‘m neer als hij wakker is en het spartelen is begonnen. Die beentjes fietsen alsof hij de Tour rijdt, de armen zwaaien als bij een politicus in verkiezingsstrijd. Maar als hij slaapt of hangt of suft is het een diertje waarvan de contouren prachtig vervagen en de kleuren in elkaar overlopen.
Hij kan ook al een beetje praten. Hij zegt: gnaauw. En dan zeg ik gnaauw terug. Hij zegt kriii. En ik zeg krooo terug. Hij lacht. Ik lach terug. Ik zeg gieuw. Hij zegt gieuw terug. En dan kotst hij een gulp melk uit. Lachend. En de melk loopt in zijn oortje. Raaah…

Mijn kleine grote zoon… Hij kwam op 1 oktober de wereld binnen als een +4 kilootje en hij groeit als kool. Nog geen twee maanden oud, maar dat zou je niet zeggen als je hem daar zo op de arm ziet hangen.

Groeien doet zeer, denk ik. Ik herinner mij van vroeger de groeipijnen. Een onbestemde pijn in mijn benen en armen; een soort trekken, binnenin en overal. Ik weet nog dat ik mezelf suste door te geloven dat het groeipijnen waren. Als ik hem nu zo explosief zie groeien, op zo’n korte tijd, man man man, dat moet zeer doen.
Er wordt zoveel gegroeid in mijn omgeving dat ik het zelfs vreemd begin te vinden dat ik al zo lang dezelfde schoenmaat heb. Dat ik nog altijd 174 cm meet. Ik groei alleen soms nog wat in de breedte. Maar dat noemen ze verdikken, en niet groeien (en daar kan iets aan gedaan worden).
Van 51 cm naar pakweg 170 cm gaan dat moet toch een behoorlijk pakket kracht vragen, denk ik dan. Maar die rakkers hebben nog altijd een ton energie op overschot. Ze slapen wel wat meer, maar laat mij 12 of 20 uur slapen op een nacht, dan doe ik nog niet zo gek.

De oudste, van 2,6 jaar is behalve rennen, roepen, zingen, spelen, aandacht opeisen, veel bezig met begrippen en ze begrijpen:
– Mama! alle blaadjes af de bomen, heee!
– Ja schatteke, maar in de lente komen die blaadjes terug, hoor…
– Mamaaaa! Dan ladder nemen en blaadjes terug aandoen!

- Mama! Ni zingen!
– Oei, mag ik niet zingen?
– Nee! Niet lalala doen!
– Oh da’s jammer. Mag ik echt niet zingen?
– Alleen lululu en lololo.

- Kijk Tadeusz, daar is iets te doen. Zullen we gaan kijken of we een ballon kunnen krijgen?
– Jaaah! Ballonnen plukken!

En altijd alles beter willen weten:
– Bohammetje sammeli eten!
– Er is geen salami meer, floekie.
– Is wel sammeli!

Heerlijk, die vondsten. Maar zo ne franken teut!..

Ik wil in feite geen blogmama zijn. Ik wil een blog met allerlei, niet louter moeder-met-kinderen-blogster. Ik ga binnenkort eens wat meer moeten buitenkomen precies…