Duitsland bleek een prettige bestemming voor ons kleine gezinnetje. Ondanks de helse rit met bleirende hongerige kinderen met volgescheten luiers; de smoeltjes lichtjes oververhit en snottig. We kregen files en monsterregenbuien op onze weg. Na een luttel hazenslaapje vroeg meneer Tadeusz waar we naartoe gingen. Dat hij naar het voor hem abstracte Duitsland ging vond hij wel oké. Op reis. Dat klonk goed, vond hij. Tot hij na een uurtje of twee begon te vragen of we er al waren. Om de tien minuten. Hij hield dat vol tot 30 km voor het eindpunt. Toen begon hij te zeuren dat hij naar huis wilde. Na zeven uur zwoegen arriveerden we.
We logeerden bij mijn halfbroer Mike en diens mooie familie. In hun kleine appartementje met hun kinderen, Maya en Loëlla, meisjes met een vleug wildernis. Hoewel het druk was om met acht mensen (en een half – ze verwachten er nog nieuwtje) in het kleine appartement te leven was het weer verfrissend, interessant, ontroerend en sterk. Want ik geloof dat reizen zoiets moet zijn. Hoe klein de trip ook is, de geest buiten het gewone laten ademen maakt nieuwe kleuren. Als je nadien terugkeert naar je gewoontes en je vertrouwde voorwerpen, stemmen, omgeving, ben je een heel klein beetje veranderd. En dat is goed. Het waren fijne dagen.
Geleerd uit de rit van de heenreis besloten we terug te keren bij nacht. Ik rij niet graag ‘s nachts, maar het leek toch logischer. Aanvankelijk. Ik begrijp niet hoe sommige mensen dat kunnen, zo in het donker rijden. In Duitsland rijden ze rap (soms makkelijk 200 km/uur), maar dan ook nog eens in het pikkedonker!
Na een kwartier durfde ik al nauwelijks sneller dan 80 rijden. Ik zie de witte lijnen op den duur niet goed en kan niet inschatten hoe de weg zal lopen. Als ik geen andere referentie heb – zoals de rode lichtjes van een niet al te snel rijdende voorligger – dan zie ik ze al snel vliegen.
Toen ik ooit in Rusland in de Kaukasus door de haarspeldbochten in de duisternis reed ben ik op een gegeven moment uitgestapt om met mijn handen te gaan voelen waar de weg was omdat ik geen steek meer zag. Gelukkig was de weg nu wat rechter en waren er voldoende vrachtwagens om achter te gaan hangen als ik het niet meer zag zitten.
Uiteindelijk geraakten we toch thuis aan een gemiddelde snelheid van 120 km/uur. Maar ik was een wrak. En ik zag overal sterretjes. Ik kon me nauwelijks nog bewegen. ‘t Wordt precies eens tijd dat dat fantastisch lief van mij nog wat fantastischer wordt en eens leert autorijden…
Het kroost op de heenweg:

Al kort na het arriveren maakte Tadeusz zich al uiterst nuttig met het bevochtigen van het terras:

Loëlla (7 jaar):

De dubbele regenboog na een dubbele regenbui:

De heerlijk wildernis waar Mike’s mooie kinderen hun innerlijke ongetemdheid in kunnen behouden:

Mike heeft zijn kinderen nooit (maar dan ook nooit) ergens bij geholpen om op te klimmen. Het resultaat is dat deze kinderen ongelofelijke klimmers zijn. ik heb ze de gekste dingen zien doen. Zo lenig en sterk en behendig…

Maya (10 jaar):

Roodkapje:

Het is duidelijk de zomer van de hangmat. Overal waar we komen zijn er tegenwoordig hangmatten en Tadeusz vindt het geweldig. Het levert ook altijd leuke (vlieg)plaatjes op.

Boris belooft zelf ook een forse evenwichtskunstenaar te worden:
