Pakketje zomer

Het einde van de vakantie nadert. Voor vele ouders is september een dag om naar uit te kijken. Als kind heb ik dat nooit beseft, de impact van zo’n zomervakantie op volwassenen.

Ik weet nog dat de zomervakantie eeuwig duurde, dat er altijd zon was. Zomervakantie, dat was tante Rosa in Tongerlo. Vlinders in potjes steken en het beetje misselijkmakende schuldgevoel als bleek dat de vlinders geen nacht konden leven in glazen potjes. Zomervakantie, dat was fietsen op teenslippers, vanilleijs met grenadine, tot tien uur tv en met blote benen door het hoge gras. Brandnetels. De avond zien vallen.

Nooit beseft dat het een logistieke puzzel was van opvang en afspraken.

Mijn kinderen bevatten de tijd nog niet. Voor Boris is iedere dag nog gewoon een gebeurtenis die de vorige opvolgt. Tadeusz, krijgt met zijn vier levensjaren al een beetje zicht op concrete blokjes tijd. Nog zoveel nachtjes slapen. Weer naar school. Toen was ik daar. Volgende week doe ik dat. Als de wijzer bovenstaat dan… Voor hem begint het concept van tijd, en dus ook de zomervakantie, zich te vormen. Ik zie het aan zijn blik. Hij zal vanaf nu zijn leven echt beginnen te herinneren.
Ik zie nu wat zomervakantie eigenlijk is. De zandkorrels in de zoom van zijn broek; dat is zomervakantie. De splinters in zijn voeten. De wind in zijn haren als hij met zijn fietsje een blokje rond mag fietsen. Zout water dat opdroogt in zijn nek. De sprong van een boomstam over een riviertje.

Volgende week school. Een nieuwe school. Een nieuw huis. Een nieuw jaar. Deze zomer zal aan hem blijven plakken als de pigmenten van een vlindervleugel. Het is vluchtig en fragiel, maar je vergeet de kleuren nooit meer…

De drie bovenste foto’s zijn van Sint Anna plage in Antwerpen. De laatste is in het ziekenhuis. Met een ontstoken voet van de splinters…

Schilderachtig verleden

Met kleur en licht wordt er geschilderd. Het leven zit vol penseelstreken. Soms staat het leven even stil en is het een schilderij.

Toen ik donderdagavond bij papa op bezoek ging, zat hij op zijn ‘terras’. In de keuken op een kruk. Het raam open. Een half pintje en een asbak op de vensterbank. De wind in zijn wenkbrauwen. Mijn vader, held op leeftijd, is die avond ook begonnen met bloggen. Ik ben daar blij om. Ik verwacht anekdotes en verhalen, muziekjes en flitsen uit het verleden. Ik ben alleszins heel blij met de Mike Zinzen Gazet

Op de grond stond een schilderijtje. De vrouw van mijn vader schilderde het. Gebaseerd op een foto die ik ooit maakte.
Het schilderij:

De oorspronkelijke foto:

En ik zag nog een schilderij. Een paar dagen later. In Bokrijk. Het mooie Bokrijk. Ik kwam het huisje binnen en zag haar zitten. Ik wist niet goed wat ik zag. Ik twijfelde. Ze keek me aan, maar ze was meer schilderij dan vrouw. Ik bleef lang stil. Ik wou dit beeld niet verstoren. Het was bijna magisch. Het was echt een terugblik in de tijd. Ik vroeg haar of ik de foto mocht maken. De foto is in ieder geval maar een flauw afkooksel van het schilderij dat ik zag…

Ik kon niet kiezen. Welke vinden jullie het mooist?

Betrapt volk

Toen ik deze avond in een vergadering zat geraakte ik – al luisterend (ik was dus wel aan het opletten) – gefascineerd door de vloer. Het was immers een vloer met honderd werelden erin en duizend wezens. Een vloer van mijn jeugd. ‘Levende’ tegels. De figuren erin riepen, liepen, lachten en dansten. Net zoals het behangpapier bij mijn tante Roza. Vijfentwintig jaar geleden. En de ballatum in het toilet bij de bobonne.
Kinderen zien overal verhalen. Ik had toen nog tijd om op zonder stress op bed te liggen, op mijn nagels te bijten en ondertussen te verdwalen in het behangpapier. Al die figuurtjes bestonden enkel in mijn verbeelding. En als ik wegkeek, stopten ze met bestaan. Ik vergat ze terwijl ik ervan wegliep. Niemand meer om ze te herkennen. Niemand om hen te bedenken. Bij tante Roza stierven de figuurtjes in het bloemetjesbehang met de laatste zomer die ik er doorbracht. Ik was toen tien of zo.

In de vergadering deze avond zag ik ze daar liggen. In steen en bijna onzichtbaar. De figuurtjes uit mijn jeugd. Met duizenden waren ze. Ik besloot de bewoners van één enkele tegel mee te nemen naar huis. En ze aan jullie te tonen. Of toch enkelen. Want ze zijn met veel te veel. Jullie zien er ongewtijfeld ook nog honderd van dit toevallig ontstane volk. Tegeltjes met een bevolking naar keuze.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Gevallen engelen

Dat we hem in volledig harnas naar school moeten sturen. Dat zegt meester Kim. Stuntman Tadeusz weet zich iedere week wel eens tot bloedens toe tegen de grond te smijten. Het enthousiasme waarmee deze driejarige over zijn voeten struikelt kan soms pijnlijk zijn om te zien. Hoewel hij behoorlijk handig is en vlotjes klimt en rent kent de bodem geen geheimen voor hem. De ene korst is nog niet weg of de nieuwe dient zich aan. Al die stukjes huid van mijn zoon die daar op de speelplaats kleven.

Ik herinner mij nog van vroeger dat ik de donkere korstjes van mijn knieën pulkte. Dat het zo pijn kon doen als ik steeds terug op dezelfde knie viel. De druppeltjes bloed die door de huid kropen als door geperforeerd plastiek. Korstjes waar soms zelfs nog steentjes inzaten. Geschaafde scheenbenen, bulten op mijn hoofd, kapotte ellebogen; zoveel grind en zand dat ik meesleurde al die jaren. In mijn schoenen en in mijn korsten.

En op een dag was het gewoon gedaan met die open knieën. Op een dag stopt een mens met te vallen. Gedurende vele jaren valt een mens zeer weinig. Een keertje van de trap omdat je op je sokken de vuilbakken gaat buitenzetten (man, dat deed zeer! Wekenlang met een zwartblauwe bil rondgelopen). Ook wel eens sporadisch met de fiets (de meest onnozele val ever. Op de Roosevelt. Tijdens de spits. Ik bloos nog als ik eraan denk). Maar voor de rest vallen we eigenlijk nog weinig (alleen oude mensen. Die vallen terug wat meer).

Zoveel als Tadeusz, dat krijg ik niet bijeengevallen. Dat kind ziet de grond meermaals per dag van heel dicht bij. En dan wordt de wereld door zijn tranenstroom weer wat bevochtigd, de lucht bezwangerd met zijn gejammer en de pijn gestild met kusjes. En met pleisters met konijntjes op. Gelukkig is de afstand tussen kop en grond wat kleiner als je nog onder de meter bent. Als wij met ons hoofd tegen de grond kwakken is de valsnelheid al wat hoger. We zijn ook al wat minder buigzaam. Zowel letterlijk als figuurlijk.

En met kleine Boris (7 maanden) zal het ook niet lang meer duren. Hij kan nog bijlange niet kruipen, maar hij is wel voortdurend onderweg naar ergens. Onderweg naar het speelgoedje dat daar ligt. Onderweg naar een beter zicht op de gebeurtenissen in de kamer. Onderweg naar de rand van de zetel. Hij viel er al eens af. En dan is hij zo verwonderd over de plotse pijn. De sukkelaar. Het vallen op zich is natuurlijk niets. Door de lucht zoeven is zelfs niet onaangenaam. Het is alleen het neerkomen dat zo onaangenaam is. Hij zal – net zoals zijn broer – sneller willen lopen dan hij kan en er dan gedurende maanden uitzien als een te jong begonnen bokser. En bij zijn eerste woordjes zal ‘boempatat’ er zeker bijzitten. Ik kan ze toch geen wenkbauwbeschermers geven? Of ze met piepschuim inpakken. Of alles in het huis van gummy maken.
Wat ben ik blij dat ons vel zo dynamisch is. Maak er gaatjes in en morgen is het weer toe. Stel u voor hoe het zou zijn als dat niet zo was. Mijn kinderen zouden er lief uitzien.

Ze hebben misschien nog geen littekens, maar stoer zijn ze wel al hoor!
Het stomme is dat ik geen foto heb van die beruchte korsten. Vandaag zijn het alleen builen, en die zijn wat minder fotogeniek. Dan maar een foto van meneer Tadeusz met zijn beschermbril. En de observatieven onder u zullen de korst aan zijn neus toch opmerken.

Dwarrelgedachte

Sneeuw. Sneeuw is dwarrel wit dat zich nestelt in herinnering en daar eeuwig mooi wil zijn. Maar in ‘t echt is sneeuw niet altijd zo fijnvlokkig. Sneeuw wordt drab en bruin, en wat voordien zo aantrekkelijk leek is al snel een veel te dik tapijt van halfvast lelijk water. Dat soms nog glad is bovendien.
Sneeuw in zijn puurste jonge vorm is het leukst natuurlijk. Een vers pakket van opeengestapelde vlokken dat krakend praat met de schoenen aan je voeten. Lekker samenduwbare watten en zelfs niet echt koud. Sneeuw kan heerlijk zijn.

In de afgelopen dagen vond ik het fijn om naar buiten te kijken. Die dikke deken in de tuin. Het jasje voor de bomen. Ook weer fijn die voetstap in de maagdelijke vlakte. De eerste mens op de maan. Het duurde deze keer lang voor de sneeuw zijn frisheid verloor bij mij in de straat. Hij bleef lang jeugdherinneringwit en vers.
Maar zelfs dan is sneeuw niet meer zo mooi als vroeger. Toen was er de sneeuwman en de slee. Nu is er naast de sneeuwman ook werk en gladde autostrades. En uiteindelijk is er altijd drab. Veel drab. Veel meer dan vroeger. Dat kan niet anders. Het moet wel.

Ik hield, na die eerste hemelse lading, zoontje Tadeusz (21 maanden) nauwlettend in het oog om te zien of zijn eerste sneeuwervaring net zoveel jeugdherinneringskracht zou hebben als ik hoopte. Maar hij stond altijd maar wat dwaas in de witte vacht. Hij was slechts met moeite tot wat stapjes en vrolijkheid te brengen. Hij vond het wel ‘moooi’. Maar vooral vanachter glas. Het zal nog even duren voordat hij dol wordt van de vlokken en zich dartel in een sneeuwberg werpt. Of projecteer ik dan mijn melancholische sneeuwherinnering op hem?

In het park zag ik een eigentijdse ‘sneeuwman’. Hij staarde me wat vreemd aan. Ik vroeg me af of het ook voor hem een eerste sneeuwervaring was. En of hij dwarrelgedachtes had in deze blanke nacht.

(Ik had me voorgenomen om niets over de sneeuw te schrijven wegens te voor de hand liggend. Maar ik had er vandaag toch zin in…)