#wijvenweek: ongecensureerd weg-dromen

Gisteren had het over vervlogen dromen moeten gaan. Ik kwam er niet toe. Vandaag zou er een ongecensureerde post moeten verschijnen… De twee onderwerpen zijn volgens mij perfect verenigbaar in één post. Pragmatische oplossing, maar dat vergeven jullie mij wel, denk ik.

Ik heb in het verleden al vaak mijn gebrekkige huishoudelijke en opvoedkundige eigenschappen in de verf gezet op deze blog. Ik deins daar niet voor terug. Ik zie het een beetje als mijn missie om de gangbare ideaalbeelden te ondermijnen en eens niet-perfect te zijn in deze veeleisende samenleving.
Maar zelden laat ik die werkelijkheid in z’n volle lelijkheid tot u komen. Ik verhul het soms achter een mooie foto, of laat het maar druppelsgewijs los, en zo lijkt het of ik mijn verloedering toch nog enigszins onder controle heb. Alsof het toch een bewuste keuze is. Vandaag maak ik dus een uitzondering.
Als mensen mij vragen ‘Hoe doe je dat toch? Bloggen en foto’s maken en kinderen opvoeden en werken en dan nog zoveel projecten hebben?!‘, dan wuif ik dat onachtzaam weg en haal mijn schouders op. Maar het is niet zo dat ik sneller of beter of creatiever of straffer ben. Al die activiteit gaat namelijk àltijd ten koste van iets anders…

Ik maakte een paar rappe ijskoude onesthetische foto’s van de achterkant van de blogwerkelijkheid. De eerste die me daarop pakt, me uitlacht of mijn vriend daarom niet meer wil zijn die krijgt een oplawaai.

U ziet hier ons tuintje. Of toch een stukje. Het is een scheet groot en er is geen gras. Grasmaaien hoeft dus al niet. En toch loopt het altijd mis. Ik steek dat op het feit dat we een bel-etage bewonen. De tuin ligt een halve verdieping lager en daardoor ‘hebben we geen echte band met de tuin’. Als we ooit een tuin hebben op gelijke hoogte met de living dan zal je eens zien!
Wat er op de foto te zien is, is het sluitende bewijs van mijn laksheid en de donkere kant van mijn perfectie. Die bak met groenige vloeistof, dat is het ‘zwembadje’ van de kinderen van vorige zomer. Er zwemt nog een bootje in. Maar dat zie je gelukkig niet. Er is nu in ieder geval wel leven op de boot.
De bladeren achter het levende zwembad zijn van vorige herfst. Of misschien zelfs van die van het jaar ervoor. De lege bloempotten zijn ondertussen flatgebouwen voor pissebedden en spinnen en de tuinslang ligt er ook nog van vorige zomer. En de tegeltjes vooraan zijn in feite geel…

In huis zet ik met de volgende foto de aftakeling van mijn imago voort. De gouden lamp is een restant van de meubelen van mijn grootmoeder, maar die hing indertijd nog niet scheef. Ik steek het op mijn jongste zoon en zal wachten tot ie groot genoeg is om ze te repareren. Ik denk er al lang aan om de gouden voet een ander kleurtje te geven. Gelukkig behoort uitstelgedrag ook nog tot mijn kwaliteiten.
Verder zijn er rond de lamp een paar stukken textiel waar te nemen: de eeuwige kinderkleren. Altijd zwerven er kinderkleren door mijn huis. Ik kan die dingen gewoon niet de baas. Overal losse sokken, broekjes, rompertjes, tutten. Dat lijkt een eigen leven te leiden, rond te wandelen en weg te kruipen zonder dat ik er erg in heb. En erop schelden en roepen helpt ook niet. Nochtans wel al vaak geprobeerd. Maar ze willen niet opgevouwen in de kast gaan liggen.
In en rond de wasmachine is de concentratie meestal nog hoger. Daar lijkt het wat op een invasie. Als ik een tijdje bij de wasmachine vertoef ligt mijn haar nadien altijd in de war… Ik beschouw onze droogkast trouwens een beetje als een kast. Als ik de douche uitkom, dan trek ik vaak de droogkast open voor een onderbroek. En dan ben ik van slag als die leeg blijkt te zijn.

Ik had ook nog beeldmateriaal van de vloer en van een paar schier overleden planten, maar het moet niet al te bont worden, hé.

Dit alles sluit mooi aan bij het thema van gisteren, namelijk de vervlogen dromen. Ik ben geen zestien meer. Ik besef dat mijn jeugd me verlaten heeft om in mijn kinderen te leven. De kleur van mijn haar vlucht weg van mijn hoofd. Mijn huid is niet meer elastisch, maar eerder van plasticine. Ik ben ‘mevrouw’ en niet meer fietfieuw op straat.
Met al dat tanen en verouderen begin ik te beseffen dat er dingen zijn die nooit zullen veranderen. Ik moet dat aanvaarden. Gedrag is bij te sturen en aan te passen, maar veel dingen zullen blijven. Vooral karakterieel. Ik zal altijd chaotisch blijven. Ik zal nooit goed kunnen argumenteren. Ik zal altijd problemen hebben met kleren in kleerkasten te krijgen. Vraag me nooit om een schema te maken. Of verjaardagen te onthouden. Me te oriënteren.
Vroeger dacht ik dat dat allemaal nog wel kon. Veranderingsmogelijkheden waren onbeperkt. Niets stond vast.
En dat is precies mijn vervlogen droom: sommige dingen zijn wat ze zijn. De tijd wint het toch.
Maar die vervlogen droom is tegelijkertijd een hoopvolle opluchting: sommige dingen hoeven niet te veranderen. Sommige dingen zijn wat ze zijn…

Maar een tuintje op ooghoogte, dat hoop ik toch ooit te kunnen onderhouden…

Keek op de week

In een wolk van paracetamol hang ik voor mijn scherm. De griep velde me opnieuw. Op nog geen maand tijd ben ik al tweemaal gevloerd door een virus dat ik met niet kan zien. Maar ondanks de onzichtbaarheid weet het dingetje zich wel kenbaar te maken. Ik denk dat het alleen maar bij deze dag boordevol ledigheid zal blijven. Ik heb vandaag zo hard genikst dat mijn lijf zich optimaal met terugvechten heeft kunnen bezighouden.
Nu, vlakbij middernacht, geef ik nog wat beeld mee van de afgelopen tijd. Een soort keek op de week. Maar ik denk dat sommige dingen al wat langer geleden zijn dan een week.

Ik passeerde aan de Antwerp Tower. Ik zag daar een reusachtige rups het gebouw beklimmen. Dat ik er nadien niks van in de krant heb gelezen verbaast me nog steeds:

Ik ging afgelopen weekend naar de derde editie van Tapas & Ropas. Een kledingruil met simpele en weinig directieve regels. De genialiteit van dit simpel concept wordt keer op keer bekrachtigd. Ik stel voor dat er overal in Vlaanderen en daarbuiten Tapas & Ropas’en georganiseerd worden. We zouden allemaal veel contentere vrouwen zijn. Het kost nauwelijks tijd, bespaart geld en moeite, versterkt contacten, doet nieuwe gelijkgezinden ontmoeten en is goed voor het zelfbeeld. Ik liep er wederom buiten met een hele nieuwe garderobe, die me niks gekost heeft, en ik werd bevrijd van al die miskopen en vergeten kledingstukken die in de hoek van de kast alleen maar stof maakten.

Op de terugweg passeerde ik aan Park Spoor Noord waar een instagramkiekje in de vlucht gemaakt werd. Ik vind dat het een platenhoes is. Nu alleen nog muzikanten vinden die er de muziek bij maken:

De volgende dag was ik wreed in mijn nopjes met mijn Dries Van Noten-rok (een zeer zeldzame foto van mezelf op deze blog!):

En ik dronk koffie met de immer schone Florence. Die haar schone Diana bijhad:

Alleeja, koffie is misschien een groot woord. Het was eerder een vloeibaar snoepje in een groot glas. Soms moet een mens er eens volledig over kunnen gaan. Alle remmen los. Heerlijk! (dank u Normocoffee!):

En als ik niet aan het werk was of met mijn kinderen aan het worstelen, dan heb ik wat gespeeld met de iPhone en geknutseld met de beschikbare apps:

In feite mag ik niet klagen. Mijn leven gaat goed. Ik begin volgende week op een nieuwe job waar ik veel zin in heb en die griep, die krijg ik er wel onder.

Tapas & Ropas

Gisteren was het de tweede editie van ‘Tapas & Ropas’, een kleine kledingruilactie van een groep grieten die elkaar zo min of meer kennen. Bij de eerste editie ging ik al naar huis op wolkjes, maar de tweede editie bevestigt het succes van de formule. Oersimpel, maar geniaal.
Men neme enkele madammen met al hun miskopen, ex-lievelingskleding, niet-meer-inkunners, weinig gedragen niemendalletjes, afgedankte sjaaltjes en sacochen en men brenge alles bijeen op een vooraf bepaalde plek (belangrijk). Alles wordt uitgestald. Men snuffele eens hier en men piepe eens daar. En dan – als het meeste op een kapstokje gezwierd is – gaan de poppen aan het dansen: er wordt gepast. En gepast. En gepast en gepast. Voor de spiegel wordt er gedraaid en gewapperd met gewaden. Een hapje tussendoor. Een glaasje van ‘t een of ‘t ander. Het is niet zo dat de ene een stuk ruilt met de ander. Nee. Alles gaat gewoon in de strijd en het is de bedoeling dat iedereen nadien met een content gevoel naar huis gaat. Het lijkt onwaarschijnlijk, maar het werkt bijzonder goed.
Er wordt gepraat, gekeurd, gelachen, goedkeurend geknikt. Soms wordt er heftig van nee geschud. Soms heeft iemand een idee: een sjaaltje erbij. Was hier nu geen ceintuurtje voor? Heb jij dat vestje al eens gepast? Die kleur gaat u niet zo goed. Volgens mij ga jij daar goed mee staan. Een applausje. Iemand bloost.

Bij deze Tapas & Ropas voel ik mij blij. Ik wikkel mij in een stukje stof waarvan ik denk ‘Amai, dat is iets geks’, ik loop er mee naar een andere kamer en een achttal vrouwen kirren enthousiast dat ik er beeldig mee sta. Dan hoeft een mens niet te twijfelen.
Mijn buit van gisteren bedroeg vier rokken, drie broeken, drie topjes, een kleedje, twee ceinturen, een grote sjaal en een lederen riemtasje. Bovendien ben ik van een hele grote berg kleren vanaf die mijn leven alleen maar stoffiger maakte en mijn kleerkast (nog) onoverzichtelijker.
En het straffe is: dik of dun, groot of klein, er is altijd voor iedereen wel iets tof te vinden.

Laat mij een hele dag gaan shoppen en ik kom thuis met een of twee triestige twijfelgevallen, met zere voeten en met zonder geld. Bovendien is mijn zelfbeeld weer voor twee weken de pist in.

Mijn naaikunsten zijn nog té onderontwikkeld om als pakweg Oontje zoveel te produceren dat er weggeefacties gedaan worden, of zoals Mme Zsazsa die zoveel geweldige kleedjes en bevallige textieltjes maakt dat ze niet meer in haar kast zullen passen (vermoed ik toch) en dat ze die daarom ook maar begint weg te geven. Ik heb niet genoeg tijd (waar halen al die trendy naaiblogsters hun tijd en hun precisie?!) om te knutselen en ik bezit niet genoeg centen om mij van een personal shopper te voorzien om mijn garderobe regelmatig te vernieuwen. Maar ik heb nu dus wel een plek waar ik minstens even blij van word. Het is als het ware een personal shoppersteam! Bvoendien zijn mijn miskopen voor een ander een hit.
Vriendin Fenna, die ook aanwezig was, spreekt er ook over op haar blog: je bent wat je maakt en deelt. Maken, ruilen, delen. Ik heb niet alleen mijn stapel kleren gewisseld, maar ook nog eens van gedachten gewisseld met een stapel leuke grieten die ik voordien nauwelijks kende!

In mijne nieve rok, met mijn nief bloeske typt het toch wat prettiger ;-) .

Zelfs gekwetsten kunnen met een nieuwe garderobe huiswaarts keren. Zonder Meir! Ziet hoe poezelig die teentjes zijn:

De mannen die een glimp van al het vrouwelijk schoon willen opvangen:

Tweedehandssolden

Vorig jaar ben ik blijkbaar zo zot geweest om op dag 1 naar de solden te trekken. Ik schreef er blijkbaar ook een relaas over. En ondanks het feit dat mijn lijden die dag mythologisch en onnavolgbaar was, was ik het toch bijna vergeten zeker! Ik riskeerde dus blindelings naar een gelijkaardige kwelling te huppelen! Gelukkig moet mijn krokodillenbrein instinctief aangevoeld hebben dat de mallemolen op de Meir niet dé plek was waar ik moest zijn, want ik ben niet geweest. Ik was nochtans in de stad en bevond mij gevaarlijk dicht in de actieve oorlogszone. Hoe dichter bij de winkels, hoe sterker het leugenachtige gevoel dat ik iets zou kunnen missen, dat er buitenkansjes voor het grijpen zouden liggen. Snelsnel, anders zijn die andere vrouwen ermee weg! Hebbe hebbe hebbe!

Neenee, koopjes liggen daar niet. Zenuwinzinkingen, ja. Hyperventilatie en hysterie. Voor een prikje. En kleren die te klein zijn. Voor altijd teveel geld. Want kleren die je niet draagt zijn altijd te duur. Ook al kosten ze bijna niks.

Dit jaar ben ik dus niet in die consumptieval gelopen. Wat heb ik dan wél gedaan? Ik ben vandaag (op dag 2) naar een tweedehandswinkel gegaan. Daar doen ze ook solden. Zo rustig dat het daar is! Er hangt weliswaar altijd een indringende stofnestengeur, de inrichting is zelden modern, meestal ligt er een bruinig oud tapijt met plooien, staan de kledingrekken scheef en lijken de verkoopsters bijpassende decorstukken. Maar de prijzen zijn er véél ronder en portemonneevriendelijker dan in vuurlinie op de Meir. Het aanbod bestrijkt er de crème van de mode van vele roemrijke jaren én de klanten zijn minder dolgedraaid en agressief dan de gemiddelde soldenshopper.
Je moet natuurlijk niet gaan vragen of ze dit of dat nog in jouw maat of een andere kleur hebben, maar dat geeft ook wat rust. Past het niet, dan is het niet voor jou.

De vrouw met wie ik afwisselend de spiegel deelde bleek soms zinvolle bijdragen te leveren aan de door mij gekozen rokken en jassen. We namen onze tijd om alles eens te bekijken en maakten geen overhaaste of foute beslissingen. We pasten kledingstukken soms zelfs twee keer. Giechelden aangenaam bij zotte stukken. Het was zowaar gezellig.
Toen ik een wat twijfelachtige, ietwat lelijke jas aanhad die me zat als een tweede vel zei ze: ‘Mijn moeder zegt altijd dat je kleren moet kopen met je ogen dicht.’

Dat vond ik nu eens een leuke gedachte om mee naar huis te nemen. Ik kocht uiteindelijk van alles, maar de jas liet ik daar…
(Deze pola(d)roid is een oude foto en is dus niet vandaag in de winkel gemaakt…)

Gesoldeerde martelgang

Al die drukte over die solden, ik snap er niks van. Ik heb mezelf, na afgelopen zaterdag, met de hand op het hart en de vingers in de lucht beloofd, in aanwezigheid van een getuige, dat ik nooit nooit nooit nooit nooit meer op de eerste dag naar de solden zal gaan. Jamais. Never again. Ik zal het onthouden deze keer. Met de boekenbeurs ben ik al een paar jaar slim genoeg, maar dat van de solden was blijkbaar een nog te leren lesje…
Wie had me dat idee overigens aangepraat?! (het lief). En hoe optimistisch moet ik wel niet geweest zijn toen ik voorstelde dat ik de buggy met de kleine wel zou nemen? (heel). En was het geen lichtroze flits van zinsverbijstering die me liet geloven dat ik grote koopjes zou doen? (zeg maar heel roze en heel zwakzinnig).
Ik wreef me bij aanvang eerst nog tevreden in de handen. We waren vroeg, dacht ik. Hoe dwaas kan men zijn?

Na een half uurtje in de zee van briesende vrouwen gewaad te hebben, tussen pilaren van gekleurde stof, besloot ik, uitschuivend over rondslingerende niemendalletjes, de kassa te bezoeken om daar enkele aanvaardbare prutsen af te rekenen. Ik zocht de staart van de rij. De aanschuivende rij bleek een opeengeperste mensenslang te zijn die lustig door de winkel meanderde. In deze kassafile van anderhalve kilometer – met een voortgang van zes centimeter per uur (volgens mij was er verderop een ongeluk gebeurd) – vatte mijn immer beminnelijk zoontje het plan op om vanuit de buggy (nochtans strak vastgegespt) zijn schoenen protestmatig uit te stampen. Hij slingerde er eentje weg, in de ademende massa, en met de andere begon hij op het been van mijn buurvrouw te meppen. Met lovenswaardige vasthoudendheid. Hij trok z’n sokken uit en stak ze in de handtas van de voorgaande wachtende. Ik kreeg het steeds warmer. De lucht was al door iedereen vijf keer in en uitgeademd. En vooraan bewoog er niks. Tadeusz begon te gillen. Te huilen. Een epileptische aanval na te bootsen.
We schoven een centimeter op. De kassa lag nu nog maar 23,45 meter van me af. Ik zag in de verte de verkoopsters staan suffen. Ze hadden extra volk ingezet; aan iedere kassa eentje om af te rekenen en eentje om te staan dagdieven. Acht man aan vier kassa’s. De helft deed niks. Af en toe had er eentje een goed idee en zou ze al eens een zakje pakken voor haar hardwerkende collega.

Hoe langer ik daar stond, hoe ondenkbaarder dat ik de gekozen kleding zou gaan terugleggen en eieren voor mijn geld zou kiezen. Dan hield ik niks over van deze martelgang!
Het verbaast me op zo’n moment dat niet meer vrouwen doorslaan. Ik sta dan echt op het punt om te gaan flippen, vechten, te gaan molenwieken met mijn armen, gillen, huilen, mezelf de ogen uitkrabben, te verdwijnen in een grote zucht. Ben ik dan de enige? Rondom mij staan vrouwen gezellig te keuvelen. Ze overlopen hun aanwinsten nog een keer of zes, doen een telefoontje en lakken hun nagels. Ze lijken geen last te hebben van de situatie. Voor hen is het een hobby. Koopjes!
Een uur en een kwartier stond ik daar. Te staan. Met vier lapjes stof over de arm, waarvan er maar twee in solden waren. Ik betaalde 45€ voor iets dat er anders 60 had gekost. Het kostte me minstens ook twee jaar van mijn leven. Qua hart en zenuwen ben ik nu veel ouder dan vorige week.

Op veel vlakken ben ik, volgens mij, geen gewone vrouw. Winkelen is oké, maar kleren kopen voor mezelf is een tranentrekker. Ik word daar ongelukkig van. Al die leuke kleertjes die daar naar me knipogen. Als ik ze aanheb zijn het net aardappelzakken en ben ik de aardappel. En andere vrouwen worden in dezelfde stofjes langbenige prinsessen. Ik heb door de jaren wel al geleerd dat er boosaardigere kledingstukken zijn dan andere en ik hoef niet meer alles te passen om te weten dat ik er niet mee sta. Maar dat neemt niet weg dat ik mij soms toch nog laat vangen door een kleedje of een trui.

Ik heb ooit eens vastgezeten in een kleedje. Het moest over de kop en kwam vast te zitten rond mijn overvloedige boezem. Ik kreeg het niet meer naar boven of naar beneden. Ik wilde het uitdoen en moest het weer over mijn hoofd trekken. Maar het werd alleen maar erger. Ik stond daar met mijn armen naar boven dat kleedje zat rond hoofd en schouders vast. Voor de rest stond ik natuurlijk in mijn ondergoed (en sokken natuurlijk) en ik was zo slim geweest om op mijn eentje te gaan shoppen. Na een tiental minuten wringen zat er niks anders op dan hulp te zoeken. Een voorzichtige ‘Hallooo? Joehoe?’ maakte dat een batterij giechelende achttienjarigen me kwam bevrijden. Ze waren gelukkig nog lief.
(het tekeningetje zou de situatie een beetje kunnen verduidelijken…)

Enfin. De solden, dat hoeft voor mij dus niet meer zo gauw. Ik koop wel aan volle prijs. En alleen op maandagvoormiddagen of zo.

Het tweede leven van een hemd

Enkelen onder jullie weten dat ik sinds een klein jaartje een cursus snit en naad volg. Het lijkt duf en ouderwets, maar in feite is het spannend en erg leuk.
Ik heb veel geleerd in het afgelopen schooljaar, maar een volleerd naaister ben ik nog lang niet. Ik knoei veel en behalve enkele kleine successen in de klas bak ik er nog niet veel van. Maar soms moet een mens niet veel kunnen om toch leuke resultaten te boeken.

Mijn fantastisch lief, Sventikov, had een rood hemd met korte mouwtjes. Hij mismeesterde het (per ongeluk weliswaar) met een sigaret. Twee onnozele brandgaatjes. Het hemd leek even nog maar een bestemming te hebben, namelijk de vuilbak. Maar ik had een boekje met naai-ideetjes uit de bib en ik besloot het hemd een tweede leven te geven. Of toch te proberen…

Wat ik deed: (het hemd was natuurlijk helemaal rood, maar in twee kleuren was het duidelijker.)
hemd

Ik knipte een kleinere pasvorm uit het grote hemd. Het roze gedeelte knipte ik dus gewoon weg. Ik stikte het op de blauwe lijn weer dicht. De borstzakjes werden gehalveerd, maar dat deert niet. De korte mouwen werden lange mouwen. De kraag is groot. En Tadeusz zijn buik blijft natuurlijk dik. Ik had het onderste knoopje ook moeten dichtdoen vanochtend, maar dat zag ik achteraf pas…
Ziehier het resultaat:
IMG_7406-1-border

IMG_7408-2-border

Bekentenis

Ik ben nooit echt een groot licht geweest wat het huishouden betreft. Er zijn zaken waarin ik uitblink (bijvoorbeeld multitasken/snelheid, afwassen), deelaspecten die ik onder de knie heb (bijvoorbeeld afstoffen en dweilen) en bepaalde categorieën waar ik falikant op gebuisd ben. In de laatste groep is de kleerkast de kroon op mijn karaktergebreken. Mijn ultieme duistere kant. Het mislukte stukje Ysab. Dàt lukt me dus niet. Maar echt niet. Echtecht niet.

Hoewel ik, als de was uit de wasmachine komt, alles heel netjes sorteer en opvouw, ligt de inhoud van mijn kleerkast er altijd bij alsof er net ingebroken is door een textielfetisjist op speed die al drie jaar geen kledingstuk meer heeft aangeraakt. Miserabel dus.
Ik maak regelmatig mooie voornemens, heel serieus, en dan begin ik met het opvouwen van al die stukjes stof. Alles uit de kast en een half uurtje vouwen. Even later ligt alles er dan aanvaardbaar netjes bij.

De volgende ochtend echter ga ik er weer in tekeer als een kip in een mesthoop en woel ik alles dooreen. Ik trek er iets uit, vanonder natuurlijk, en daardoor komt de hele stapel al scheef te liggen; sommige t-shirten vouwen al een beetje kadul. Als ik het kledingstuk aanheb vind ik het meestal niet geschikt voor die dag (Ik trek zelden ineens de definitieve outfit aan. Vraag me niet waarom.). Ik doe het uit. Het is nu binnenstebuiten. Om tijd te sparen draai ik het niet weer goed. Nee, ik duw het aan de zijkant bij in de kast, mijn oog heeft het volgende stuk immers al in de mot. Sommige dingen vouw ik improvisoir weer op, met een beweging in de lucht, andere prop ik gewoon op een ander schab. Mijn enige ceintuur zit altijd in de broek die ik niet aandoe, maar in de achterste en onderste broek op de plank (Hoe dat komt is mij ook altijd een raadsel). Ik draag veel zwart en het nadeel daarvan is dat ik soms drie truien uit de kast haal voor ik de ‘juiste’ heb.
Ik creëer ook steeds een onooglijk bergje van kleedjes, truien, broeken – en onderaan meestal sokken – op de stoel in de slaapkamer waar woelmuizen graag in zouden wonen en dat kunstkenners zouden kunnen herkennen als een artistieke installatie. Deze stoel wordt wel minstens twee keer per week geledigd, maar vaak gebeurt dat dan weer door alles snel bijeen te pakken en in de kast te gooien. Soms moet ik al stevig gooien om ervoor te zorgen dat alles er niet uitvalt. Eerst oprollen in een bolletje en zo.

Hoewel ik regelmatig misselijk word van mijn eigen kleerkast, heb ik er toch mee leren leven. Het ergste vind ik dat ik mijn zoon geen ordelijkheid kan meegeven op het vlak van kleerkasten. Wat voor ontaard voorbeeld krijgt hij nu?! Zijn kleerkast is ondertussen al even erg. Ik ben op het huishoudelijk vlak geen cleaning superlady, maar ook geen ramp. Het moet wel een misvormd stukje gen zijn, of een voortschrijdende afwijking waardoor ik steeds verder verloeder op kleerkastenvlak. Het overmeestert me, ik kan er niet tegenop. Soms krijg ik visioenen van mijn sterven: verstikt in kleding, bedolven onder ongestreken goed.
Ik word, iedere ochtend opnieuw, gevloerd door mijn eigen kleren.

Ik heb T-shirts zelfs leren opvouwen zoals in onderstaand filmpje (echt!). Ik dacht dat het zou helpen. Het helpt, maar het volstaat niet…