Sinds ik moeder geworden ben is er veel veranderd. Niet alleen praktisch, of organisatorisch. Maar ook binnenkantisch. Ik ben een ander mens geworden. Voorzeker zijn de meeste ouders het met mij eens: zo’n kind, dat laat uw wereld daveren en zet alles wat je voordien wist helemaal op z’n kop.
Eén van de aspecten van het moederschap is de o zo evidente bezorgdheid. De ene heeft er meer last van dan de andere. Ik ben van de strekking dat kinderen leren uit hun fouten. Ik zal ze niet tegenhouden van op laddertjes te klimmen, op stoelen te staan, risico’s te nemen, te gaan skaten enzovoort. Ik zou mijn jongens toch niet kunnen tegenhouden. Het zijn wervelwinden. En bovendien helpt het niet. Tadeusz valt eerder op zijn gezichtje als hij gewoon naast me staat dan als hij op een been op de toren in de speeltuin staat. Maar de bezorgdheid is er altijd wel. Af en toe voel ik, ergens in een ver hoekje van mijn hart, de verpletterende leegte die er zou zijn als er hen iets zou overkomen. Ik zie soms alles wat er fout kan lopen met hen, en dan voel ik die leegte al. Die beangstigende leegte, die meedogenloze pijn. Ik moet dat soort gedachtes en worst-case-scenario’s vrijwel onmiddellijk lossen, want als ze me meetrekken dan zou ik mijn kinders in dwangbuisjes steken en mochten ze alleen nog eten met hele stompe lepels.
Tadeusz werd vorige week geopereerd. Kleine ingreep. Niks speciaals.
Ik was erop voorbereid dat ‘uw kind onder narcose’ geen leuke ervaring is. Goed gemutst begonnen we eraan, hij en ik. Hij om zes uur mee op, en zonder eten, want hij moest ‘nuchter’ zijn. Hij wist wat er ging gebeuren. Hij was er oké mee. Ik ook. Hij was boeddhistisch dapper. Ik was trots.
Tot hij daar in dat onnozel pyjamaatje zat, in dat grote bed. Opeens leek hij nog zo verschrikkelijk klein, zo kwetsbaar. Mijn grote jongen was opeens weg. Dit kleine kind, meegesleurd door grotemensentaal in iets dat hij onmogelijk echt kon begrijpen.
En dan naar die operatiekamer. ik mocht mee tot ie in slaap was, zeiden ze. Hij lag daar, met zijn smalle lijfje, op de operatietafel. Die drukte rondom hem. Een grapje van een verpleger klonk zo vreemd in die setting. Toen hij daar lag en me aankeek, kon ik niet lezen wat hij dacht. Hij had een masker voor zijn mond, waar hij in moest blazen. Hij hield mijn hand vast. Zijn ogen draaiden even. En opeens nam een verpleegster me bij de arm en leidde me weg.
Mijn hart lag daar nog bij hem, en ik liep in gruzelementen de kamer uit.
Mijn verstand was voorbereid op het hele gebeuren. Maar ik was blijkbaar mijn hart vergeten in te lichten.
De verpleegster zei nog: ‘Lastig hé, als het je eigen kind is’. En ze was weer weg. En ik zat daar op de bank. Te wenen. Niet uit angst. Niet uit zelfmedelijden. Maar gewoon uit moederschap. Met een wakker hart. Zonder narcose.
Zo’n ziekenhuis heeft zoveel lading. Dood, leven, gezond, ziek. Mooi, rustgevend en ook hard en lelijk. Heel dubbel. Interessant wel…

Geprepareerd tv kijken om 8u00.
En nog zo klein zijn…

Ondertussen werd mijn moederhart nog maar eens op de proef gesteld met nummer twee die op zijn voorste tanden gevallen is. Hij zal het vermoedelijk een paar jaartjes zonder voortanden moeten stellen. En wat denk je? Als de tanden eruit moeten, dan doen ze dat natuurlijk onder narcose…

































